Waarom je op je woorden moet letten

Waarom je op je woorden moet letten

Als leraar ben je de hele dag aan het woord. Je maakt contact, Je legt uit, Je corrigeert. Sommige leraren hebben aan het einde van de dag kramp in hun kaken van het eindeloos waarschuwen, aanmoedigen en complimenten geven. Veel leerlingen klagen dat leraren teveel praten. Misschien zeggen ze dat ook tegen jou. Daarom leg ik vandaag uit waarom je op je woorden moet letten.

Waarom moet ik op mijn woorden letten?

Veel van ons onderwijs is auditief. Wij praten en we hopen dat de leerling onthoudt wat we vertellen. Helaas zijn er maar drie manieren waarop een mens iets auditiefs kan onthouden:

  1. Als coherente informatie binnen een aansprekend verhaal
  2. Eindeloze herhaling (minimaal zeven keer binnen een maand)
  3. Ondersteund door beeld of actie

Daarnaast kun je woorden gebruiken om het gedrag van leerlingen te sturen

Zo zijn er woorden die je beter niet kunt zeggen:

1. De woorden NIET en GEEN
Niet en geen zijn niet te vatten voor mensenhersens: ze kunnen er niks mee. Zeg wat leerlingen wél moeten doen.
Bijvoorbeeld: loop rustig en in stilte in plaats van niet rennen.


2. Het woord PROBEREN
Proberen heeft geen doel: je doet iets of je doet het niet. Daar zit niks tussen. Het woord proberen werkt daardoor faalangst in de hand. Als je vertelt hoe een leerling iets wél kan doen (en laat oefenen), krijgt hij succeservaringen.

3. Bijvoeglijk naamwoorden als BETER, GOED en VERVELEND
Deze woorden zijn niet specifiek genoeg en kunnen daardoor niet echt het gewenste effect bereiken.
Als jij zegt: ‘Je moet dit beter doen’, dan weet de leerling niet wat hij precies moet doen.
Het woord vervelend heeft een negatieve lading die niet precies omschrijft wat je ermee bedoelt. Een leerling weet dan niet precies hoe hij daarop moet reageren.
Het woord goed geeft geen ruimte voor afwijkingen. Hoe goed is goed? Wat is goed? Als het niet lukt, is het dan slecht?
Deze woorden maken leerlingen onzeker. Onzekerheid geeft ruis en ruis veroorzaakt onrust in de klas.

Natuurlijk zijn er ook woorden die je juist wél kunt gebruiken:

  1. Woorden als IEDEREEN, NIEMAND en SOMMIGE(N)
    Iedereen kan dit leren (dus jij ook). Niemand mag de deur uit. Sommige leerlingen maken aantekeningen, wat fijn.
    Leerlingen willen graag bij een groep horen en zullen zich door deze woorden willen conformeren aan de groep.
  1. Toepassingen van de woorden WETEN, KUNNEN, VERWACHTEN en VERTROUWEN
    Ik weet dat jij dit kunt. Ik verwacht dat jullie dit op tijd af hebben. Ik weet dat ik op jullie kan vertrouwen.
    Dit zijn positieve woorden, die in combinatie met specifieke opdrachten het gewenste resultaat opleveren: succeservaringen voor leerlingen.
  1. En tot slot: het woord WAARSCHIJNLIJK
    Het woord waarschijnlijk ondersteunt het woord vertrouwen. Hiermee benadruk je nog eens dat jij vertrouwen hebt in jouw leerlingen: je sluit bij ze aan en je toont begrip. Het woord ondersteunt jouw verwachtingen.
    Waarschijnlijk heb je geen zin, maar opdracht 3 moet wel vandaag af.
    Waarschijnlijk komen jullie na de pauze heel rustig de klas in.
    Waarschijnlijk wordt het vandaag een hele leuke les, want ik heb iets leuks bedacht.

Iedereen kan het leren: het is een kwestie van oefenen

Waarschijnlijk ga je jezelf betrappen als je per ongeluk een fout woord zegt. Je kunt jezelf vervolgens meteen corrigeren. Zo wordt je bewust bekwaam.

Tot slot nog drie taaltips:

  1. Vervang het begrip MOEILIJK door het begrip MAKKELIJK
    Als je het woord moeilijk gebruikt, denken leerlingen dat het ook moeilijk is en werp je een drempel op. Vertel dus dat iets nú nog moeilijk is, maar dat jij het makkelijk voor ze gaat maken.
  1. Benoem alleen zichtbaar gedrag
    Ik zie dat jij omgedraaid zit. Ik wil zien dat jij rechtop gaat zitten en naar mij kijkt.
  1. Eindig met de woorden DANK JE WEL
    Dank je wel doet wonderen. Vooral als je het uitspreekt vóórdat een leerling de opdracht heeft uitgevoerd. Ook hier ondersteun je vertrouwen en spreek je positieve verwachtingen uit.
Ik wens je veel plezier en succes!

Heb je een coach nodig? Ik heb tijd voor je. Trek op tijd aan de bel

Wil je een leuk filmpje zien over taalgebruik? Klik dan HIER

Wil je meer blogs lezen over communicatie met leerlingen? Klik dan HIER

Hoe je leerlingen correct taalgebruik leert

Hoe je leerlingen correct taalgebruik leert

Dit blog gaat over correct taalgebruik in de klas.

Geschiedenisles. Meester Johan geeft beurten met het beurtenbakje. Eerst stelt hij de vraag: ‘Wat was het verschil tussen een kaper en een piraat?’ De les gaat over zeehelden. De leerlingen krijgen exact negen seconden bedenktijd.

Johan maakt het spannend door het trekken van de volgende naam even te rekken. De leerlingen zitten op het puntje van hun stoel. Sommigen steken hun vinger op, bedenken dan plotseling dat dat niet meer mag en trekken hun vinger snel weer naar beneden. Gelukkig zag de meester het niet.

De meester kijkt op het getrokken stokje: “Sophie, Wat was het verschil tussen een kaper en een piraat?”. Sophie antwoordt: ‘Piraten waren verboden’. Meester Johan knikt, stelt de volgende vraag en gaat door naar het volgende stokje.

Natuurlijk is het antwoord van Sophie correct, maar als Johan zijn leerlingen zou leren om uitgebreider te antwoorden dan zou dat het spraakvermogen (en daarmee: het denkvermogen) van Sophie en haar klasgenoten sterk verbeteren. Daarom leer ik je deze week hoe je leerlingen correct leert antwoorden.

Waarom moeten leerlingen leren om in volledige zinnen te antwoorden?

De reden is simpel: taal, denken en leren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden:

  • Mensen, dus ook leerlingen, denken in taal
  • Leerstof wordt aangeboden in taal
  • Leerlingen verwerken leerstof door te denken (en te schrijven) in taal

Hoe vollediger het antwoord is, hoe beter een leerling heeft nagedacht over de vraag en het daarbij behorende antwoord.

Als een leerling dan ook nog leert om het juiste antwoord verbaal op een goede wijze te uiten, dan weet je als leraar zeker dat de leerling de stof beheerst en begrijpt.

Dat lukt niet in één keer

Soms klappen leerlingen dicht. Soms willen ze geen antwoord geven. Ze hebben faalangst, willen niet opvallen, of hebben gewoon geen zin.

Toch moeten ze het leren

  1. Geef zelf altijd het goede voorbeeld. Spreek in volledige zinnen, hanteer zelf juist taalgebruik
  2. Leg steeds opnieuw uit waarom leerlingen correct Nederlands moeten spreken
  3. Leer leerlingen dat ze fouten moeten maken om iets nieuws te kunnen leren
  4. Verbeter leerlingen als ze een fout maken
  5. Laat leerlingen jou verbeteren als je een fout maakt
  6. Als een leerling geen (of een onvolledig) antwoord geeft, geef je feedback: ‘Je antwoord is bijna goed. Zeg het nu eens in een volledige zin:
    1. Geef een hint
    2. Zeg de eerste woorden van de zin
    3. Laat een andere leerling eerst het juiste antwoord geven. Daarna laat je de eerste leerling het antwoord nogmaals geven: ‘Ik kom zo bij je terug.’
    4. Corrigeer ook lidwoorden en onjuist taalgebruik
  7. Leer leerlingen ook goed schrijven. Alleen het antwoord geven op een vraag of som, heeft veel minder leereffect.

De meeste leerlingen zullen hier weerstand tegen hebben

En dat is waar. Maar weerstand is nodig om iets nieuws te leren. Bovendien is het een gewoonte geworden om kort te antwoorden. Het is er bij de meeste leerlingen ingeslepen omdat er nooit werd ingegrepen. Het kost meer tijd om het er weer uit te krijgen. Je hebt dus best veel geduld nodig. En tijd. Leg ook steeds weer uit waarom.

De enige manier om het ze te leren, is herhalen en dan nog een keer

Ik wens je veel plezier en succes!

Wil jij leren hoe je heel goed instructie geeft aan leerlingen? Geef je dan op voor de online workshop ‘Sterk Lesgeven’. Ik maak de workshop in overleg met jou helemaal op maat. Vul je telefoonnummer in en ik bel je.

Wil je meer lezen over taal in de klas? Klik dan HIER

Wil je een leuk filmpje zien over het luie brein? Klik dan HIER