Zeven tips om iemand de gordijnen in te jagen

Iemand de gordijnen injagen...

… is helemaal niet zo moeilijk. Mensen doen het dagelijks, bewust of onbewust. 
Leerlingen jagen leraren de gordijnen in om te kijken of een leraar wel orde kan houden.
Collega’s doen het als ze geen tijd voor je hebben.
Ouders doen het als ze niet willen of kunnen begrijpen wat een leraar zegt.
Leidinggevenden reageren bot als ze geen geduld met iemand hebben.
Coaches doen het wel eens expres… als ze willen dat iemand ergens over na gaat denken, of om te kijken hoe de coachee reageert.

Gordijnen hebben te maken met weerstand

Herken jij dit ook?
Weerstand bij een leerling… die iets moet maar niet wil.
Geklaag van een collega… vanwege de volgende verandering in het beleid op school.
Onwil om te luisteren bij jezelf… als een collega bij jou komt met een lang verhaal terwijl je geen tijd hebt.
Weerstand bij een ouder… die het totaal niet met je eens is waar het jouw leerling betreft.

Zonder weerstand geen glans

Met de volgende zeven tips krijg je ouders, leerlingen en collega’s razendsnel de gordijnen in:

1. Zeg: ‘Doe niet zo stom.’

2. Haal je schouders demonstratief op.

3. Reageer heel verbaasd.

4. Zeg: ‘Doe niet zo moeilijk.’

5. Laat heel duidelijk je irritatie blijken (verbaal en non-verbaal).

6. Stap onmiddellijk naar een ander en begin te roddelen. Het liefst waar het onderwerp van gesprek mee kan luisteren.

7. Vraag op verongelijkte toon: ‘Waarom niet?’

Sommige reacties helpen ook om orde te houden

Probeer maar uit 😉

Deze tip hoort er wel bij: Speel toneel!
Maak duidelijk met je houding, je gezichtsuitdrukking en de toon van je stem dat je toneel speelt. Anders denken ze nog dat je het meent.

Nog een tweede tip: Doe dat niet bij autisten.

Wil jij orde leren houden? Kijk dan in onze webshop. Wij hebben een geweldige online cursus voor je gemaakt. En via deze pagina kun je je opgeven voor ons gratis webinar ‘De drie wetten van orde’ op woensdagavond 30 september. Dan krijg je alvast een voorproefje.

Hoe je contact maakt met je leerlingen – zonder vriendjes te worden

Hoe je contact maakt met leerlingen - zonder vriendjes te worden

‘Willen jullie nu even je mond houden? Ik wil iets vertellen.’ Juf Maartje kijkt naar de poster met de klassenregels erop. Als juf praat – dan ben ik stil staat bovenaan. Ze kijkt de klas in. ‘Hallo, cóntact.’

‘Vertel maar hoor, juf.’ Katinka stoot Halima aan en fluistert haar iets toe. Halima lacht in haar hand.

Bram laat zijn pen vallen en duikt onder zijn tafel. ‘Waar is dat kreng?’ Pieter en Ibrahim staan op en zoeken luidruchtig mee.

‘Juf wil wat zeggen.’ Petri is nauwelijks te horen. Maartjes ogen schieten heen en weer tussen de jongenskluwen onder Brams tafel en Petri. Ze aarzelt. ‘Jongens…’.

‘En meísjes’, roept Katinka.

Binnen drie tellen zoekt de halve klas naar Brams pen.

Maartje gaat achter haar bureau zitten. Ze kijkt in het klassenboek – alsof dáár staat wat ze nu moet doen.

Heeft Maartje echt contact met haar leerlingen?

Ik denk van niet. Als er echt contact is, is er sprake van wederzijds respect. Bram en Katinka hebben duidelijk geen respect voor deze juf. Petri heeft dat waarschijnlijk wel, maar hij wordt niet gehoord.

De klas volgt Bram en Katinka, zij voeren de norm aan in deze klas. Wat zij eigenlijk zeggen is: ‘Wij luisteren niet naar Juf Maartje en dat moeten jullie ook niet doen’. De rest van de klas volgt.

Wat moet Maartje nu doen? Een oplossing in drie stappen:

Maartje heeft natuurlijk te laat ingegrepen. Zij had Katinka meteen tot de orde moeten roepen. Dat kan nu niet meer. Ze moet nu redden wat er nog te redden is.

‘Over vijf tellen zit iedereen op zijn plaats met de mond dicht. Vijf, vier, drie, twee, één, en stíl.’ Een andere zin kan ook, als je de zin maar hard, duidelijk, met overtuiging, op twee benen en in directieve vorm uitspreekt.

Met complimenten, handgebaren en blikken stuur je de leerlingen tijdens het tellen de juiste kant op. Complimenten geef je met naam, correcties zeg je zonder naam, algemeen.

De tweede stap is het herhalen van de klassenregels. Maartje moet er voor gaan zorgen dat alle leerlingen zich hier – opnieuw – aan committeren. Ook moet zij duidelijk maken welke sancties er staan op het overtreden van de regels. Vervolgens moet zij de regels en de consequenties consequent gaan toepassen.

De derde stap is het creëren van een respectvolle relatie met alle leerlingen

Het is de taak van iedere leraar om dat op haar eigen manier te doen. Zij moet hierin het voortouw nemen en het goede voorbeeld geven. Maar een leraar mag nooit vriendjes worden. De leraar moet er boven blijven staan.

Zes tips om contact te maken en te houden met je leerlingen:

1. Het begint al bij binnenkomst. Sta (als dat kan) bij de deur. Kijk je leerlingen in de ogen en wissel een woordje met iedereen. Luister actief!

2. Meen wat je zegt, wees oprecht. Toon je waardering. Leerlingen voelen het als je je aandacht er niet echt bij hebt en dat gaat uiteindelijk tegen je werken.

3. Heb respect voor andere meningen en opvattingen, ook al ben je het er zelf helemaal niet mee eens. Als je je leerlingen oprecht serieus neemt dan merken ze dat en dan nemen ze jou ook serieus.

4. Voel je betrokken bij de leerlingen. Toon oprechte belangstelling. Leef mee met onvoldoendes, trouwfeesten en nieuwe kleren én onthoudt dat de oma van Bram gisteren jarig was.

5. Denk aan je lichaamstaal. Zoek regelmatig oogcontact,  glimlach of kijk streng. Knipoog. Sta altijd sterk:  zelfverzekerd (op twee benen), geef schouderklopjes en werp trotse blikken.

6. Je mag open zijn over jezelf, vertel over je gedrag, je gevoelens, je mening en wat je gisteren gegeten hebt. Daarmee bevorder je empathisch gedrag; je geeft zelf het goede voorbeeld.

Wil je meer weten over het starten in een nieuwe klas, het maken van contact en het duidelijk neerzetten van een structuur?

Geef je dan op voor het online webinar Sterk Starten in de Klas.
Je vind via deze link meer informatie en je kunt je hier ook opgeven.

Wil je meer weten over contact maken met leerlingen? Kijk dan hier.

Waarom je op je woorden moet letten

Waarom je op je woorden moet letten

Als leraar ben je de hele dag aan het woord. Je maakt contact, Je legt uit, Je corrigeert. Sommige leraren hebben aan het einde van de dag kramp in hun kaken van het eindeloos waarschuwen, aanmoedigen en complimenten geven. Veel leerlingen klagen dat leraren teveel praten. Misschien zeggen ze dat ook tegen jou. Daarom leg ik vandaag uit waarom je op je woorden moet letten.

Waarom moet ik op mijn woorden letten?

Veel van ons onderwijs is auditief. Wij praten en we hopen dat de leerling onthoudt wat we vertellen. Helaas zijn er maar drie manieren waarop een mens iets auditiefs kan onthouden:

  1. Als coherente informatie binnen een aansprekend verhaal
  2. Eindeloze herhaling (minimaal zeven keer binnen een maand)
  3. Ondersteund door beeld of actie

Daarnaast kun je woorden gebruiken om het gedrag van leerlingen te sturen

Zo zijn er woorden die je beter niet kunt zeggen:

1. De woorden NIET en GEEN
Niet en geen zijn niet te vatten voor mensenhersens: ze kunnen er niks mee. Zeg wat leerlingen wél moeten doen.
Bijvoorbeeld: loop rustig en in stilte in plaats van niet rennen.


2. Het woord PROBEREN
Proberen heeft geen doel: je doet iets of je doet het niet. Daar zit niks tussen. Het woord proberen werkt daardoor faalangst in de hand. Als je vertelt hoe een leerling iets wél kan doen (en laat oefenen), krijgt hij succeservaringen.

3. Bijvoeglijk naamwoorden als BETER, GOED en VERVELEND
Deze woorden zijn niet specifiek genoeg en kunnen daardoor niet echt het gewenste effect bereiken.
Als jij zegt: ‘Je moet dit beter doen’, dan weet de leerling niet wat hij precies moet doen.
Het woord vervelend heeft een negatieve lading die niet precies omschrijft wat je ermee bedoelt. Een leerling weet dan niet precies hoe hij daarop moet reageren.
Het woord goed geeft geen ruimte voor afwijkingen. Hoe goed is goed? Wat is goed? Als het niet lukt, is het dan slecht?
Deze woorden maken leerlingen onzeker. Onzekerheid geeft ruis en ruis veroorzaakt onrust in de klas.

Natuurlijk zijn er ook woorden die je juist wél kunt gebruiken:

  1. Woorden als IEDEREEN, NIEMAND en SOMMIGE(N)
    Iedereen kan dit leren (dus jij ook). Niemand mag de deur uit. Sommige leerlingen maken aantekeningen, wat fijn.
    Leerlingen willen graag bij een groep horen en zullen zich door deze woorden willen conformeren aan de groep.
  1. Toepassingen van de woorden WETEN, KUNNEN, VERWACHTEN en VERTROUWEN
    Ik weet dat jij dit kunt. Ik verwacht dat jullie dit op tijd af hebben. Ik weet dat ik op jullie kan vertrouwen.
    Dit zijn positieve woorden, die in combinatie met specifieke opdrachten het gewenste resultaat opleveren: succeservaringen voor leerlingen.
  1. En tot slot: het woord WAARSCHIJNLIJK
    Het woord waarschijnlijk ondersteunt het woord vertrouwen. Hiermee benadruk je nog eens dat jij vertrouwen hebt in jouw leerlingen: je sluit bij ze aan en je toont begrip. Het woord ondersteunt jouw verwachtingen.
    Waarschijnlijk heb je geen zin, maar opdracht 3 moet wel vandaag af.
    Waarschijnlijk komen jullie na de pauze heel rustig de klas in.
    Waarschijnlijk wordt het vandaag een hele leuke les, want ik heb iets leuks bedacht.

Iedereen kan het leren: het is een kwestie van oefenen

Waarschijnlijk ga je jezelf betrappen als je per ongeluk een fout woord zegt. Je kunt jezelf vervolgens meteen corrigeren. Zo wordt je bewust bekwaam.

Tot slot nog drie taaltips:

  1. Vervang het begrip MOEILIJK door het begrip MAKKELIJK
    Als je het woord moeilijk gebruikt, denken leerlingen dat het ook moeilijk is en werp je een drempel op. Vertel dus dat iets nú nog moeilijk is, maar dat jij het makkelijk voor ze gaat maken.
  1. Benoem alleen zichtbaar gedrag
    Ik zie dat jij omgedraaid zit. Ik wil zien dat jij rechtop gaat zitten en naar mij kijkt.
  1. Eindig met de woorden DANK JE WEL
    Dank je wel doet wonderen. Vooral als je het uitspreekt vóórdat een leerling de opdracht heeft uitgevoerd. Ook hier ondersteun je vertrouwen en spreek je positieve verwachtingen uit.
Ik wens je veel plezier en succes!

Heb je een coach nodig? Ik heb tijd voor je. Trek op tijd aan de bel

Wil je een leuk filmpje zien over taalgebruik? Klik dan HIER

Wil je meer blogs lezen over communicatie met leerlingen? Klik dan HIER

Hoe je leerlingen correct taalgebruik leert

Hoe je leerlingen correct taalgebruik leert

Dit blog gaat over correct taalgebruik in de klas.

Geschiedenisles. Meester Johan geeft beurten met het beurtenbakje. Eerst stelt hij de vraag: ‘Wat was het verschil tussen een kaper en een piraat?’ De les gaat over zeehelden. De leerlingen krijgen exact negen seconden bedenktijd.

Johan maakt het spannend door het trekken van de volgende naam even te rekken. De leerlingen zitten op het puntje van hun stoel. Sommigen steken hun vinger op, bedenken dan plotseling dat dat niet meer mag en trekken hun vinger snel weer naar beneden. Gelukkig zag de meester het niet.

De meester kijkt op het getrokken stokje: “Sophie, Wat was het verschil tussen een kaper en een piraat?”. Sophie antwoordt: ‘Piraten waren verboden’. Meester Johan knikt, stelt de volgende vraag en gaat door naar het volgende stokje.

Natuurlijk is het antwoord van Sophie correct, maar als Johan zijn leerlingen zou leren om uitgebreider te antwoorden dan zou dat het spraakvermogen (en daarmee: het denkvermogen) van Sophie en haar klasgenoten sterk verbeteren. Daarom leer ik je deze week hoe je leerlingen correct leert antwoorden.

Waarom moeten leerlingen leren om in volledige zinnen te antwoorden?

De reden is simpel: taal, denken en leren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden:

  • Mensen, dus ook leerlingen, denken in taal
  • Leerstof wordt aangeboden in taal
  • Leerlingen verwerken leerstof door te denken (en te schrijven) in taal

Hoe vollediger het antwoord is, hoe beter een leerling heeft nagedacht over de vraag en het daarbij behorende antwoord.

Als een leerling dan ook nog leert om het juiste antwoord verbaal op een goede wijze te uiten, dan weet je als leraar zeker dat de leerling de stof beheerst en begrijpt.

Dat lukt niet in één keer

Soms klappen leerlingen dicht. Soms willen ze geen antwoord geven. Ze hebben faalangst, willen niet opvallen, of hebben gewoon geen zin.

Toch moeten ze het leren

  1. Geef zelf altijd het goede voorbeeld. Spreek in volledige zinnen, hanteer zelf juist taalgebruik
  2. Leg steeds opnieuw uit waarom leerlingen correct Nederlands moeten spreken
  3. Leer leerlingen dat ze fouten moeten maken om iets nieuws te kunnen leren
  4. Verbeter leerlingen als ze een fout maken
  5. Laat leerlingen jou verbeteren als je een fout maakt
  6. Als een leerling geen (of een onvolledig) antwoord geeft, geef je feedback: ‘Je antwoord is bijna goed. Zeg het nu eens in een volledige zin:
    1. Geef een hint
    2. Zeg de eerste woorden van de zin
    3. Laat een andere leerling eerst het juiste antwoord geven. Daarna laat je de eerste leerling het antwoord nogmaals geven: ‘Ik kom zo bij je terug.’
    4. Corrigeer ook lidwoorden en onjuist taalgebruik
  7. Leer leerlingen ook goed schrijven. Alleen het antwoord geven op een vraag of som, heeft veel minder leereffect.

De meeste leerlingen zullen hier weerstand tegen hebben

En dat is waar. Maar weerstand is nodig om iets nieuws te leren. Bovendien is het een gewoonte geworden om kort te antwoorden. Het is er bij de meeste leerlingen ingeslepen omdat er nooit werd ingegrepen. Het kost meer tijd om het er weer uit te krijgen. Je hebt dus best veel geduld nodig. En tijd. Leg ook steeds weer uit waarom.

De enige manier om het ze te leren, is herhalen en dan nog een keer

Ik wens je veel plezier en succes!

Wil jij leren hoe je heel goed instructie geeft aan leerlingen? Geef je dan op voor de online workshop ‘Sterk Lesgeven’. Ik maak de workshop in overleg met jou helemaal op maat. Vul je telefoonnummer in en ik bel je.

Wil je meer lezen over taal in de klas? Klik dan HIER

Wil je een leuk filmpje zien over het luie brein? Klik dan HIER