Een presentatie houden… hoe leer je dat?

Een presentatie houden… hoe leer je dat?

Wij vragen onze leerlingen regelmatig om een presentatie te houden. Of een spreekbeurt. En ik kan me herinneren dat ik, toen ik pas voor de klas stond, vond dat mijn leerlingen “dat maar gewoon moesten kunnen”. Ik had geen idee dat, of hoe, ik ze dat zou kunnen leren. Maar nu weten we dat we onze leerlingen alles moeten leren.. ook het houden van een presentatie. 

Presenteren kun je leren

Ik las in een oude “Juf” (Malmberg) een artikel met als titel “Presenteren kun je leren” Dat artikel heb ik gebruikt om een stappenplan te maken. Een stappenplan dat ik vroeger graag had willen hebben om de leerlingen beter te kunnen helpen.

Een stappenplan

1. Actief en respectvol luisteren.

Allereerst moeten de leerlingen leren hoe ze actief en respectvol luisteren:

  • Zit rechtop en kijk naar de presentator.
  • Schrijf eventuele vragen op, het liefst in een daarvoor speciaal bestemd schrift.
  • Praat er niet doorheen. (Stel je voor dat je daar zelf staat.)
    Fouten maken mag.

2. Hoe kies je het juiste onderwerp?

Soms krijgen leerlingen een onderwerp toegewezen, soms mogen ze zelf kiezen. In het eerste geval is het belangrijk om duidelijk aan te geven welke onderdelen bij het onderwerp horen, en welke beslist niet.

In het tweede geval moeten de leerlingen hun onderwerp afbakenen als het te groot is. “Voetbal” is zo’n voorbeeld. Het is dan beter als een leerling zijn of haar favoriete speler of club kiest.

3. Maak een mindmap of woordenweb.

Zet het onderwerp in het midden en laat de leerlingen er een maximaal aantal takken (subonderdelen) bij schrijven. Je kunt ook een voorgedrukte mindmap uitdelen, waarin de namen van de takken alvast staan ingevuld. Zorg ervoor dat iedere tak zijn eigen kleur krijgt. Maak eerst klassikaal een mindmap; doe het voor. Mindmappen werkt ook goed bij het maken van een verslag of werkstuk. 

4. Teksten en plaatjes

Sommige leerlingen werken graag vanuit plaatjes, anderen beginnen liever met tekst. Laat de leerlingen daarom bewust kiezen. 
Schrijvende leerlingen laat je per subonderdeel een tekstje schrijven. Daarna gaan ze er plaatjes bij zoeken.
Visueel ingestelde leerlingen laat je per tak plaatjes zoeken en daarna bij ieder plaatje een tekstje schrijven.
Geef altijd het (minimaal) vereiste aantal pixels op, zodat er tijdens de presentatie geen wazig zoekplaatje op het digibord  staat.

5. Filmpjes

Vertel dat eventuele filmpjes niet langer dan 2 minuten mogen duren.

6. Voorlezen

Je voorkomt het voorlezen van teksten door de leerlingen in tweetallen van te voren te laten oefenen aan de hand van een blaadje met steekwoorden. Dat kan ook ook in de vorm van een woordenweb of mindmap. Op deze manier kun je leerlingen trouwens ook laten oefenen met het vertellen van “boekzinnen” in hun eigen woorden.

7. Presenteren voor de hele groep

Geef regelmatig opdrachten, waarbij leerlingen staand (eerst achter hun stoel en daarna voor de klas) iets moeten vertellen. Zo’n vertelling duurt eerst 30 seconden en dat kan je langzaam opbouwen.

Geef daar de volgende aandachtspunten bij en geef daar ook feedback op:

a. Sta op twee benen.
b. Bedenk wat je met je handen doet.
c. Kijk je medeleerlingen om de beurt aan, kijk niet naar een punt of over de hoofden heen.

8. Over het stellen van vragen na afloop van een presentatie

Leer je leerlingen vragen stellen met de volgende beginwoorden:
a. Hoe denk je dat…
b. Sinds wanneer…
c. Hoe zou jij…
d. Wat is het belangrijkste dat…
Zet deze zinnen op het bord, zodat ze kunnen spieken.

9. Een presentatie maken met Powerpoint

Ook dat moeten leerlingen leren. Geef als eerste oefening oefening alle leerlingen hetzelfde onderwerp en geef ook aan hoeveel dia’s er minimaal en maximaal getoond mogen worden. Vertel ook welke eisen je stelt aan spelling, stijl, zinsbouw en illustraties.

10. De beoordeling van een presentatie

Het is meestal zo dat zowel jij als leraar als de leerlingen de presentatie mogen beoordelen. Ik vind dat altijd een moeilijk punt, omdat vriendjespolitiek en/ of affiniteit met het onderwerp vaak een rol spelen.

Het is beter om bijvoorbeeld 10 punten aan te geven, waar een presentatie aan moet voldoen. Dan is jouw beoordeling in ieder geval duidelijk en transparant:
Je: 
a. bent goed goed te verstaan.
b. staat op twee benen.
c. vertelt met passie over het onderwerp.
d. leest niet voor, je gebruikt je eigen woorden.
e. spreekt foutloos Nederlands qua grammatica
f. zegt maximaal 25 keer “..eh..”.
g. presentatie heeft ongeveer 10 dia’s.
h. weet duidelijk meer van het onderwerp dan hetgeen je gepresenteerd hebt.
i. je hebt 8 duidelijke plaatjes, die iets toevoegen aan je verhaal.
j. powerpointpresentatie voldoet aan de gestelde eisen
Je kunt ook nog eventueel een bonuspunt geven: 
k. Je hebt iets verrassends ingevoegd. Een filmpje, een quiz, een anekdote, een spel. Leuk voorbeeld: bij een spreekbeurt over “de Olifant” heeft de leerling een olifantendrol meegenomen…

Leerlingen kunnen feedback geven met de volgende hulpzinnen:

a. Het meest interessante wat ik gehoord heb was…
b. Wat ik nog niet wist was…
c. Wat ik erg goed vond was…
d. De volgende keer kan je beter…
Ook deze zinnen kun je op het bord zetten.

Veel plezier!

Wil je meedoen met mijn gratis webinar over De drie wetten van orde? Klik dan hier.

Wil je meer weten over digitale presentatievormen voor het onderwijs? Klik dan hier.

En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer

En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer...

‘En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer.’ Dana keek me hulpeloos aan. ‘Ik had nog nooit een kleuter van dichtbij gezien.’
Ik schoot in de lach. Dana is een fantastische kunstdocent – met gevoel voor humor. Ze was ingehuurd om een hele dag tekenles te geven op een basisschool. Acht lessen aan acht groepen. Ze was begonnen in groep 8 en zakte gedurende de dag af naar de onderbouw. Het team was erg te spreken over Dana en haar lessen – behalve de kleuterjuffen.

Om kwart voor twee zat er verf op de muren en de vloer, lagen er overal ongewassen kwasten en zagen alle kleuters zwart van de houtskool

Toen Dana had gezegd: ‘We gaan opruimen’, lagen alle kleuters plotseling op de vloer, op zoek naar houtskoolpijpjes, kwasten en stukken papier. Er vielen potten water om – zelfs over een paar kunstwerken, en de herrie was zo enorm, dat Dana er niet meer bovenuit kwam. Ze werd gered door de juf, die alle kinderen binnen tien tellen in de kring had zitten – met hun mond dicht. Zonder haar stem te verheffen.

Dana schudde haar hoofd. ‘Hoe dóen ze dat toch…’

In de bovenbouw waren haar lessen soepel verlopen. Het opruimen ging vlot en de leerkrachten vroegen of ze nog een keer kwam. Maar de kleuterjuf pakte een emmer sop en duwde deze in Dana’s handen. ‘We laten de laatste les vervallen. Dat is namelijk óók een kleutergroep. En je bent nog wel even bezig hier.’
De school vroeg mij of ik Dana wat tips kon geven. ‘We willen graag dat ze nog een keer komt. Ook bij de kleuters, maar dan zonder puinhoop.’

Tien tips voor het lesgeven aan kleuters:

  1. Jonge kinderen kunnen maar kort (4-6 minuten) luisteren. Zij leren vooral door bewegen en doen. Stap voor stap voordoen en laten nadoen is heel belangrijk. Zorg dus voor korte, duidelijke opdrachten met een voorbeeld. Spreek in korte duidelijke zinnen en geef één opdracht tegelijk.
  2. Kleuters beginnen (meestal) in de kring, van daaruit worden alle activiteiten gestart en afgesloten.
  3. Activiteiten bij de kleuters draaien om verhalen en voorwerpen. Sluit zoveel mogelijk aan bij wat er in de klas speelt.
  4. Realiseer je dat kleuters motorisch en cognitief (nog) onontwikkeld zijn. Ze kunnen nog niet allemaal knippen, scheuren, opruimen. Hun kijk op de wereld is niet realistisch – maar wel bijzonder.
  5. Jonge kinderen kunnen jou heel goed vertellen hoe de gang van zaken is. Maak daar gebruik van. Ze zijn over het algemeen zelfstandiger (en eerlijker) dan oudere kinderen!
  6. Jonge kinderen zijn er bij gebaat dat de dag en de les hetzelfde verlopen als bij hun eigen juf/ meester. Je kunt dus gewoon de dag volgen zoals de leerlingen jou vertellen – of zoals in de map staat en verwijs naar de dagritmekaarten.
  7. Tussendoor: zingen en bewegen.
  8. Jonge kinderen kunnen ongelukjes hebben. Er liggen dus ergens op school schone kleren. Vraag hulp als je er niet uit komt.
  9. Herhaal wat je aanleert regelmatig, met zoveel mogelijk beweging en afwisseling.
  10. Zorg voor voldoende rustmomenten. Een schooldag is lang en inspannend voor jonge kinderen.

Wil je hulp bij het opstarten van een kleuterklas? Bekijk dan mijn aanbod voor coaching en begeleiding

Wil je zelf beter leren tekenen? Doe mee aan een workshop van Laura

Wil je een hele simpele tekenles geven? Bekijk dit filmpje

Wil je meedoen aan mijn gratis online workshop Sterk starten voor de klas? Geef je hier op

Hoe je kunt zien of je leerlingen opletten

Hoe je kunt zien of je leerlingen opletten

Priscilla hangt op haar stoel. Lange benen steken zover uit, dat haar trendy enkellaarsjes in het gangpad liggen. Schouders hangen naar voren. Haar armen liggen languit over de tafel. Een Engels boek staat rechtop tussen haar handen. Let Priscilla nu op of niet? Kun je wel zien of je leerlingen opletten?

Ken je deze discussie:

‘Doe je ook mee, Priscilla?’
‘Ik let toch op.’
‘Ik heb toch de indruk dat je niet helemaal meedoet.’
‘Hoezo dan? Ik doe toch mee? Ik heb m’n boek toch?’
‘Ja, maar lees je ook in je boek?’
‘Mens, doe niet zo moeilijk. Ik lees toch.’

Vaak eindigt deze discussie in een nog grotere mond van Priscilla, waarna de leraar Priscilla de klas uitzet en de rest van de klas boos is op de leraar. Want: ‘Ze deed toch niks?’

Soms eindigt de discussie in winst voor de leraar. Die maakt dan een leuke opmerking of grap, waardoor de spanning wegvloeit en Priscilla rechtop kan gaan zitten zonder gezichtsverlies te lijden.

Hier gaat het om: pubers doen alles om geen gezichtsverlies te lijden tegenover hun klasgenoten

En jij als leraar moet daar mee dealen. De beste oplossing is dus om ervoor te zorgen dat jouw leerlingen nooit met jou in discussie kunnen. Dan voorkom je ieder gezichtsverlies.

De eerste stap is het aanleren van een luisterhouding

Als je leerlingen er actief en betrokken uitzien, heeft dat drie voordelen:

  1. Het beeld is prettig om naar te kijken. Een leraar kijkt liever naar een stel actieve ogen dan naar een klas vol onderuitgezakte vuilniszakken.
  2. Als een leerling rechtop zit en zich gedwongen voelt om actief mee te doen met de les, is de kans groter dat hij/ zij iets leert. Bovendien gaat de tijd sneller voorbij.
  3. Je kunt sneller met je les beginnen en dat zorgt voor meer effectieve lestijd.

Het gaat om gewenst zichtbaar gedrag

  1. Als jij de leerlingen duidelijk maakt wat jij wilt zien om te geloven dat zij opletten, is er nooit discussie.
  2. Maak er een routine van. Bouw terugkerende momenten in je les in waar je altijd een luisterhouding wil zien.
  3. Spreek een teken af en tel af van drie naar nul. Oefen dit teken en de houding die je wilt zien.
  4. Accepteer dat er in het begin veel weerstand is. Heb begrip voor je leerlingen: het is best moeilijk om je gedrag te moeten veranderen. Houd ook voet bij stuk: jij bepaalt wat er gebeurt in jouw klas.
  5. Wees blij met ieder klein stapje. Complimenteer. Maak steeds opnieuw duidelijk dat goed opletten beloond wordt.
  6. Het is natuurlijk het beste als je hier meteen na de zomervakantie begint. Desnoods na een andere vakantie. Als dat niet kan: begin gewoon.
  7. Leg altijd uit waarom je dingen zo wilt. Maak er een win-winsituatie van.

Welke luisterhoudingen zijn er?

  • Voor groep 1 t/m 4: SARK
    • Stil
    • Armen over elkaar
    • Rechtop zitten
    • Kijk naar de juf (meester)
  • Voor groep 5 t/m bejaard: VLORK
    • Vragen stellen en beantwoorden
    • Luister naar de spreker
    • Ogen gericht op de spreker
    • Rechtop zitten
    • Knik als je iets begrijpt of herkent
  • Er is ook een stilteteken, maar dat is nogal onhandig als je het tijdens je instructie wilt gebruiken. Bovendien is het vermoeiend om de hele tijd je arm omhoog te houden.

Het maakt helemaal niet uit wat voor acroniem of naam je gebruikt. Als je het maar ergens op een bord zet en omschrijft als zichtbaar gedrag. Je kunt het controleren omdat je het kunt zien. Zo simpel is het.

Ik wens je veel plezier en succes!

Wil jij leren hoe je orde moet houden? Volg dan de het minitraject Orde Houden.

Wil je een filmpje zien over luisterhouding? Klik dan HIER

Waarom je criteria mee moet geven aan leerlingen

Waarom je criteria mee moet geven aan leerlingen

 

Als je wilt dat leerlingen serieus hun opdrachten maken, moet je eisen aan de opdrachten stellen. Zoals Doug Lemov zegt: leg de lat hoog. Daarom vertel ik in dit blog waarom je criteria mee moet geven aan leerlingen en krijg je zeven criteriapunten mee.

Als leraar denken we dat onze leerlingen wel weten wat ze precies moeten doen

Natuurlijk weten ze het wel. Maar goed leraarschap begint bij goed klassenmanagement en goed klassenmanagement begint bij duidelijkheid.

Als de leerlingen niet precies weten wat ze moeten doen krijg je zulke vragen:

  • Wat moet je doen als je klaar bent?
  • Moet het vandaag af?
  • Mag ik het thuis afmaken?
  • Hoeveel mag je fout hebben?
  • Mag ik het op mijn tablet maken?
  • Mogen we samenwerken?

Als de leerlingen wél precies weten wat ze moeten doen krijg je zulke vragen:

  • Wat moet je doen als je klaar bent?
  • Moet het vandaag af?
  • Mag ik het thuis afmaken?
  • Hoeveel mag je fout hebben?
  • Mag ik het op mijn tablet maken?
  • Mogen we samenwerken?

Niet omdat ze het niet weten, maar omdat ze geen zin hebben om aan het werk te gaan, zin hebben om erover in discussie te gaan, of omdat ze iets anders willen dan jij.

De meeste leerlingen zijn gewoon lui

Criteria aangeven heeft veel voordelen:

  1. Je houdt het tempo van je les hoog
  2. Je voorkomt discussies omdat je duidelijk bent
  3. Het niveau van het gemaakte werk is hoger
  4. De leerlingen doen beter hun best
  5. Het leerrendement wordt hoger

Hier zijn ze dan: Zeven criteriapunten waar iedere opdracht aan moet voldoen:

  1. De exacte opdracht in één zin

Bijvoorbeeld: Maak in je werkboek H4 opdracht 1 t/m 7

  1. Hoe er gewerkt moet worden

Alleen/ in stilte/ in groepen van drie/ met of zonder lopen

  1. Waar er gewerkt moet worden

Alleen en op je plaat/, in de klas of op de gang/ gezellig bij een ander

  1. Wanneer het af moet zijn

Bijvoorbeeld: aan het eind van de les inleveren in de bak

  1. Waar het gemaakte werk aan moet voldoen

Leesbaar schrijven, zonder foute antwoorden (alle antwoorden kun je vinden in je leesboek op bladzijde 45-52), correcte spelling

  1. Wat men mag gebruiken

Bijvoorbeeld: pen, werkboek, leesboek, woordenboek, kladblok

  1. Wat je moet doen als je klaar bent

Bijvoorbeeld: maak een mindmap van H4 ter voorbereiding op de toets

En hoe organiseer ik de feedback?

Je geeft feedback op zowel het proces (welke criteriapunten gingen goed en waar zitten de verbeterpunten?) als op het gemaakte werk zelf. Laat ze hun eigen werk nakijken en beloon de leerlingen die goed hebben nagekeken, ongeacht hoeveel fouten ze hadden.

Je kunt sommige opdrachten ook organiseren met rubrics

Wil je in de klas aan de slag met rubrics? Klik dan HIER.

Wil je een filmpje zien over rubrics in de klas? Klik dan HIER.