En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer

En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer... Tien tips

‘En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer.’ Dana keek me hulpeloos aan. ‘Ik had nog nooit een kleuter van dichtbij gezien.’
Ik schoot in de lach. Dana is een fantastische kunstdocent – met gevoel voor humor. Ze was ingehuurd om een hele dag tekenles te geven op een basisschool. Acht lessen aan acht groepen. Ze was begonnen in groep 8 en zakte gedurende de dag af naar de onderbouw. Het team was erg te spreken over Dana en haar lessen – behalve de kleuterjuffen.

Om kwart voor twee zat er verf op de muren en de vloer, lagen er overal ongewassen kwasten en zagen alle kleuters zwart van de houtskool

Toen Dana had gezegd: ‘We gaan opruimen’, lagen alle kleuters plotseling op de vloer, op zoek naar houtskoolpijpjes, kwasten en stukken papier. Er vielen potten water om – zelfs over een paar kunstwerken, en de herrie was zo enorm, dat Dana er niet meer bovenuit kwam. Ze werd gered door de juf, die alle kinderen binnen tien tellen in de kring had zitten – met hun mond dicht. Zonder haar stem te verheffen.

Dana schudde haar hoofd. ‘Hoe dóen ze dat toch…’

In de bovenbouw waren haar lessen soepel verlopen. Het opruimen ging vlot en de leerkrachten vroegen of ze nog een keer kwam. Maar de kleuterjuf pakte een emmer sop en duwde deze in Dana’s handen. ‘We laten de laatste les vervallen. Dat is namelijk óók een kleutergroep. En je bent nog wel even bezig hier.’
De school vroeg mij of ik Dana wat tips kon geven. ‘We willen graag dat ze nog een keer komt. Ook bij de kleuters, maar dan zonder puinhoop.’

Tien tips voor het lesgeven aan kleuters:

  1. Jonge kinderen kunnen maar kort (4-6 minuten) luisteren. Zij leren vooral door bewegen en doen. Stap voor stap voordoen en laten nadoen is heel belangrijk. Zorg dus voor korte, duidelijke opdrachten met een voorbeeld. Spreek in korte duidelijke zinnen en geef één opdracht tegelijk.
  2. Kleuters beginnen (meestal) in de kring, van daaruit worden alle activiteiten gestart en afgesloten.
  3. Activiteiten bij de kleuters draaien om verhalen en voorwerpen. Sluit zoveel mogelijk aan bij wat er in de klas speelt.
  4. Realiseer je dat kleuters motorisch en cognitief (nog) onontwikkeld zijn. Ze kunnen nog niet allemaal knippen, scheuren, opruimen. Hun kijk op de wereld is niet realistisch – maar wel bijzonder.
  5. Jonge kinderen kunnen jou heel goed vertellen hoe de gang van zaken is. Maak daar gebruik van. Ze zijn over het algemeen zelfstandiger (en eerlijker) dan oudere kinderen!
  6. Jonge kinderen zijn er bij gebaat dat de dag en de les hetzelfde verlopen als bij hun eigen juf/ meester. Je kunt dus gewoon de dag volgen zoals de leerlingen jou vertellen – of zoals in de map staat en verwijs naar de dagritmekaarten.
  7. Tussendoor: zingen en bewegen.
  8. Jonge kinderen kunnen ongelukjes hebben. Er liggen dus ergens op school schone kleren. Vraag hulp als je er niet uit komt.
  9. Herhaal wat je aanleert regelmatig, met zoveel mogelijk beweging en afwisseling.
  10. Zorg voor voldoende rustmomenten. Een schooldag is lang en inspannend voor jonge kinderen.

Wil je hulp bij het opstarten van een kleuterklas? Bekijk dan mijn aanbod voor coaching en begeleiding

Wil je zelf beter leren tekenen? Doe mee aan een workshop van Laura

Wil je een hele simpele tekenles geven? Bekijk dit filmpje

Wil je meedoen aan mijn gratis online workshop Sterk starten voor de klas? Geef je hier op

Elf tips voor een betere communicatie met ouders die het Nederlands slecht beheersen

Over een betere communicatie met ouders

Dit blog gaat over over een betere communicatie met ouders. In dit verhaal draait het om de ouders van Samir.

‘Ik zal het nooit meer doen juf.’
Samir stond in mijn kantoor, ergens tussen de deur en mijn bureau – alsof hij niet verder durfde te komen. Hij keek schuldbewust naar de vloer. De traan ontbrak, maar verder was het plaatje zielig zigeunerjongetje compleet. 

Als kersverse directeur was mijn eerste bezoek van buitenaf dat van de wijkagent

Samir en een ouder vriendje – dat al op de middelbare zat – waren gistermiddag na schooltijd gesignaleerd op de spoorbaan. De wijkagent was not amused. Ik ook niet trouwens.
De wijkagent hield eerst een preek tegen mij over de jeugd van tegenwoordig en het belang van de school. ‘Omdat de ouders van tegenwoordig niet meer opvoeden moet jij dat dus doen.’
Ik knikte, haalde Samir uit de klas en zag de agent preken over de gevaren van spoorwegbanen. Hij eindigde met: ‘Je mag blij zijn dat er niemand aangifte heeft gedaan.’

De wijkagent vertrok

 Samir dacht dat ie er vanaf was en wilde ook weg.
‘Ik ga je vader bellen. Hij en je moeder moeten na schooltijd komen. Dit is te erg.’
Samir verstijfde en trok wit weg. ‘Nee, juf, alstublieft juf. Niet doen juf.’
Ik keek hem streng aan.
Samir hief zijn handen op. ‘Hij gaat me slaan met de riem, juf. Echt waar.’
Dat was het moment waar ik op gewacht had. Ik had eerder met dit bijltje gehakt.

‘Wanneer heeft jouw vader jou voor het laatst geslagen – met een riem?’

‘Vorige week, juf.’ Ik zag Samir door zijn oogharen gluren.
‘Vorige week. En dat was met een riem?’
Samir aarzelde. ‘Weet ik niet meer, juf.’
‘Hoe erg moet iets zijn om met de riem geslagen te worden?’
‘Best wel erg, juf.’
‘Is het erg om op de spoorbaan te lopen?’
Samir keek weer naar zijn voeten.
‘Nou?’ Ik keek nóg strenger. ‘Is het erg om op de spoorbaan te lopen?’
Het kwam er heel zachtjes uit: ‘ja, juf, het is heel erg. Om op de spoorbaan te lopen.’
‘Dus dan verdien je het om met de riem geslagen te worden.’
Het duurde even, maar toen zag ik het kwartje vallen – in Samirs hoofd.

‘Maar juf, dat mag toch niet van jullie?’

Het flapte eruit. Het timide zigeunerjongetje is spoorloos verdwenen.
‘Oh nee? Wie zegt dat? Waar staat dat?’ Ik kijk hem doordringend aan.
‘Als mijn vader mij echt gaat slaan met de riem dan is dat uw schuld.’
‘Nee. Want ik heb niet op de spoorbaan gelopen. Ík ga jou niet slaan.’
Samirs hersens kraken bijna hardop, maar er komt geen oplossing uit zijn mond.

‘Ik ga je ouders nu bellen. Ze moeten vandaag, na schooltijd hier komen. En je gaat ze zelf vertellen wat er gebeurd is. En je vertelt óók dat je bang bent dat je vader je gaat slaan. Alles in het Nederlands. Als je er niet uitkomt, help ik je.’

Met hangende pootjes ging Samir terug naar zijn klas

Ik had mijn punt gemaakt. Er heeft geen leerling meer op de spoorbaan gelopen. En Samir was de laatste leerling die mij heeft geprobeerd uit te spelen tegen zijn ouders.

Of Samir alsnog met de riem heeft gekregen? Dat geloof ik niet. De volgende dag gedroeg hij zich hetzelfde als altijd: een vrolijk jongetje van elf dat van voetballen houdt en zo nu en dan een te grote mond heeft.

Het gesprek met de ouders verliep overigens prima.

Elf tips voor een betere communicatie met ouders die het Nederlands nog niet goed beheersen:

  1. Als het kan: zorg voor een officiële tolk.
  2. Sta kinderen NOOIT toe om te tolken (ook niet 18+). Kinderen zijn altijd partij, vooral in slechtnieuwsgesprekken. Je weet niet hoe ze de boodschap aan hun ouders brengen en in hoeverre zij hun ouders willen beschermen tegen slecht nieuws.
  3. Na een korte begroeting vertel je meteen:
    1. Het doel van het gesprek
    2. De duur van het gesprek
    3. De mededeling waar het gesprek om draait
  4. Geef ouders altijd ruim de tijd om de boodschap te incasseren, na te denken en vragen te stellen. Maak meteen een vervolgafspraak; ook als ouders niet blokkeren.
  5. Heb respect voor andermans cultuur. Je hoeft het ergens niet mee eens te zijn om je wel respectvol op te kunnen stellen.
  6. Benoem het feit dat de jullie communicatie moeizaam kan verlopen door taalproblemen. Leg uit dat je daarom steeds samenvat wat zij gezegd hebben. Vraag hen ook te vertellen wat jij gezegd hebt. Zo houd je de regie en kun je over en weer controleren of de boodschap goed is overgekomen.
  7. Benoem eventuele cultuurverschillen en vraag goed na: zijn het inderdaad cultuurverschillen? Of is er iets anders aan de hand?
  8. Vraag – bij problemen – altijd eerst of de ouders misschien een oplossing weten. Roep hun hulp in. Zie ze als deskundige op het gebied van hun eigen kind.
  9. Gebruik geen woorden die een dubbele betekenis hebben, zoals het woord beter. ‘Het gaat beter’ kan opgevat worden als ‘Het kind is genezen van zijn gedrag of leerachterstand.’
  10. Gebruik beelden, tekeningen, filmpjes, pictogrammen etc. om je boodschap te verduidelijken. Beeld het desnoods zelf uit. En bij gedragsproblemen: zorg dat je het gedag van het kind op film hebt.
  11. Laat je nooit uitspelen door leerlingen óf ouders. Jij hebt en houdt de regie.

Wil je eens oudergesprekken oefenen met een trainingsacteur? Ook dat doet Sterke School. Klik hier voor de mogelijkheden bij jou op school. Zet in op een betere communicatie met ouders.

Kijk hier voor een persiflage op oudercontacten.

Volgende week weer een blog :-)

De zeven dingen die wél op jouw bureau mogen liggen

Het bureau van de leraar

‘Is jouw lokaal al leeg?’ Simone steekt haar hoofd om de deurpost.
Ik knik. ‘Alles zit in dozen, ik moet alleen nog mijn bureau leeghalen. Wordt dit jouw lokaal volgend jaar?’
‘Ja. Kan ik er zo in? Ik wil graag alles klaar hebben voor de vakantie. Dan is het niet zo druk straks in de inloopweek.’
Ik twijfel. Eigenlijk wil ik afscheid nemen in een leeg lokaal. Ik besluit tot een compromis. ‘Vijf minuten.’
Aan het einde van de dag loop ik nog even langs – voor de laatste keer. Simone is druk bezig met het uitpakken van een grote actiontas. Ze schuift met haar arm een stapel plastic verpakkingen in de prullenbak.
‘Stickers, pennen, wisbordjes, stiften… ik kan bijna niet wachten om weer te beginnen.’
Ik lach haar toe. ‘Fijne vakantie.’

Simone is, wat ik noem, een verzamelaar

Mijn bureau was altijd zo leeg mogelijk. Op een vol bureau kan ik niks vinden. Ik ben een opruimer.

Hoe ziet jouw bureau eruit?

Nu is het leeg, hoop ik.

Maar als je straks weer gaat beginnen… maar hoe ziet het eruit na de eerste schoolweek?
Een laptop, pennen, stickers, een plantje, stapels schriften, de boeken en handleidingen die je die dag nodig hebt en natuurlijk je kopje thee en de resten van een traktatie van gisteren.

Maar als je het goede voorbeeld wilt geven...

Houd je je bureau straks zo leeg mogelijk.
Eigenlijk mogen er maar zeven dingen liggen.De dingen die je nodig hebt voor je lessen (zoals de klassenmap, handleidingen en je nakijkpen), liggen op een aparte plank of op een lage kast. 

1. Een spreekstok. Wie de spreekstok vast heeft mag spreken. Alle anderen luisteren.
2. Hele bijzondere plaatjes (of een stempel) voor de leerlingen die iets speciaals hebben gepresteerd. 
3. Een to-do-lijstje in blokvorm. Hier staan dingen op die je vandaag moet onthouden.
4. Een boek. Om uit voor te lezen of om energizers of moppen in op te zoeken.
5. Water, thee of koffie.
6. Drie hele speciale pennen, waar je niet zomaar mee mag schrijven. Daar moet een leerling eerst iets voor doen.
7. Een envelop met de naam van een collega erop en een briefje met een nonsensvraag erin. Dan heb je altijd een loopje voor een leerling die niet meer op zijn stoel kan blijven zitten.

Voel je je nog wat onzeker in jouw klas? Zet dan een achtste item op je bureau: een anker. Iets waar je zelfvertrouwen aan kunt ontlenen. Een foto, een plantje of een beeldje. 

Heb je al gekeken naar het online jaarprogramma van Sterke School? 

Fijne vakantie!

Drie situaties waarin je als startende leraar een grens moet trekken

Drie situaties bij de deur van het klaslokaal

‘Waarom heb je de notulen nog niet af?’ Ria, de directeur, staat met haar armen over elkaar in de opening van de deur van het klaslokaal. ‘Ik wil ze voor vijven hebben.’ Ze draait zich om en beent met grote passen weg. ‘Vandáág’, klinkt het in de verte.
Berend haalt zijn schouders op en gaat verder met nakijken. Als hij zin heeft doet hij het vanavond thuis en anders niet. Met excuses.

‘Goedemorgen.’ Petra staat bij de deur en kijkt haar leerlingen één voor één in de ogen bij het binnenkomen. Daarna maakt ze een Japanse Buiging.
‘Goedemorgen juf.’ De meeste leerlingen kijken en buigen terug.
Chris stapt zonder boe of ba de klas in. Als hij bij zijn tafel is, kijkt hij achterom.
Petra staat in de deur en wenkt hem met een strenge vinger terug.
Schoorvoetend schuifelt Chris terug naar de deur. ‘Goedemorgen, juf Petra.’
‘Je vergeet iets.’ Petra is onverbiddelijk. Ze buigt opnieuw.
Chris buigt terug. Zuchtend.
Petra glimlacht. ‘Goedemorgen Chris, fijn dat je er nu ook bent.’

‘Selena is weer geslagen vandaag en jij hebt er niks aan gedaan. Wéér niet.’ De moeder van Selena staat met haar armen in haar zij op de drempel.
Gerda legt haar bordpen op haar bureau en loopt rustig naar moeder toe. ‘Komt u even zitten, dan kunnen we even rustig praten.’
Moeder maakt een wegwerpgebaar. ‘Ik wil niet praten, ik wil dat je er iets aan doet.’
‘Ik kan er alleen iets aan doen als u me eerst vertelt wat Selena u heeft verteld.’ Gerda haalt twee stoelen van de tafels af en zet ze – op gepaste afstand – neer. ‘Komt u zitten, dan gaan we samen een oplossing bedenken.’
Moeder gaat zitten.

Als startende leraar is het makkelijk om in bovenstaande situaties anders te reageren dan Berend, Petra en Gerda deden.

Bedenk eens wat er dan gebeurd zou (kunnen) zijn:

Berend roept een verontschuldiging naar Ria en begint meteen aan het uitwerken van de notulen. Dat kost hem meer tijd dan hij dacht. Als Berend eindelijk naar huis gaat, is het nakijkwerk niet af is en heeft hij nog niet alle lessen voorbereid. Hij weet nu niet hoe de leerlingen gewerkt hebben en wat hij morgen nog een keer moet uitleggen.

Petra laat toe dat Chris niet groet en geen buiging maakt. Misschien zegt ze: ‘Morgen wel doen, hè Chris…’ Misschien zegt ze niks en gaat ze door met de andere leerlingen. In ieder geval kun je nu voorspellen dat Petra nu dagelijks strijd zal hebben met Chris. En niet alleen om het groeten bij de deur. Chris weet nu dat hij niet hoeft te doen wat de juf van hem vraagt.

Gerda heeft eigenlijk geen tijd om met de moeder van Selena te praten. Ze weet precies wat er gebeurd is: Selena heeft in de pauze een opmerking gemaakt over de kleren van een klasgenootje. Iets met Zeeman. Het klasgenootje haalde uit.
Gerda vertelt moeder dat de ruzie al is opgelost. Ze heeft nu helaas geen tijd voor moeder, maar binnenkort is het ouderavond en dan kunnen ze verder spreken.
Moeder voelt zich afgescheept en zal ten alle tijden de kant van haar dochter kiezen – tegen Gerda. De volgende keer stapt ze rechtstreeks naar de directeur.

Als startende leraar moet je bij situaties bij de deur van het klaslokaal even nadenken wat op dit moment een handige actie is.

Daar zijn drie denkstappen voor:

1. Wat wil diegene precies van mij?
2. Wat gebeurt er als ik geen tijd voor de ander maak?
3. Wat is op dit moment belangrijker?

Voor het bepalen van wat belangrijker is, kun je deze drie criteria hanteren:

1. Veiligheid (zowel fysiek als emotioneel) gaat vóór alles
2. Het belang van de leraar staat op twee
3. Het belang van de leerling (zowel groep als individueel) komt daarna

Bewaak je grenzen op drie manieren:

1. Je laat merken dat je de ander hebt gehoord en gezien
2. Je vertelt hoe je wilt dat het gaat – oplossingsgericht
3. Je blijft consequent

Ga jij volgend schooljaar starten als leraar of zij-instromer? Dan is het online jaarprogramma misschien wel iets voor jou. Klik hier voor meer informatie

Wil je meer weten over communiceren met ouders? Kijk dan eens hier

Helemaal geen tijd

Helemaal geen tijd

Trudie plukt nerveus aan haar trui. ‘Ik heb eigenlijk helemaal geen tijd om met je te zitten’.
Ik zet mijn tas op een tafeltje en kijk Trudie aan. ‘Vertel.’
Trudie haalt haar schouders op en gebaart naar de stapels op haar bureau. ‘Ik heb nog voor minstens drie uur nakijkwerk. De klas is een puinhoop, de rapporten zijn niet klaar, ik moet nog twee moeders bellen en ik heb nog niks voorbereid voor morgen.’
Ik knik. ‘Je bent moe’.
Ik zie tranen. ‘Ga even zitten. We gaan het samen regelen. Het komt goed.’
Trudie gaat zitten. ‘De kinderen zijn hartstikke druk, maar ik word vooral gestoord van alle administratie. Ik heb daar helemaal geen tijd voor.’

Ja, díe ken ik: de administratie

Door de waan van de dag kom je er eigenlijk nooit aan toe, waardoor het zich opstapelt. En na een tijdje zie je door de bomen het bos niet meer.

Hoe zorg je ervoor dat het volgend schooljaar beter gaat?

Door meteen goed te beginnen. Of liever nog: door vlak voor de vakantie te beginnen. Beter laat dan nooit. Hiermee voorkom je stress.

Tien tips als je helemaal geen tijd wilt besteden aan teveel administratie

  1. Deel je PC handig in 
    Pak pen en papier en maak een schema van hoe jij jouw mappen wilt hebben en wat je erin wilt hebben. Gooi de rest weg. Ruim je PC op en gebruik een opschoonprogramma.

  2. Maak overal (digitaal en/of op papier, indien nodig) formulieren voor
    Gesprekken, leerlingverslagen, plannen, voor alles wat teveel tijd kost. Zorg ervoor dat ze niet langer zijn dan één A4. Bij voorkeur korter. Dit werkt schoolbreed ook heel goed.

  3. Begin je administratie in een opgeruimd lokaal
    Eindig iedere dag met het opruimen van het lokaal, waarbij alle leerlingen een taak hebben. Maak er een race van, met een klok en een vrolijk muziekje (Hawaï Five-O).

  4. Maak drie to-do-lijstjes
    Eén voor de dag, één voor de week en één voor de maand. De zaken voor de nóg langere termijn plan je alvast in je agenda.

  5. Houd je agenda zo leeg mogelijk
    Plan de dagelijkse dingetjes regulier in je agenda: nakijken, voorbereiden, oudercontacten enzovoort. Daarnaast mag er nog één klus per dag bij. Een overleg, iets administratiefs of iets vakinhoudelijks. Beperk het tot één.

  6. Plan twee uur per week in voor je administratie en doe het in die tijd
    Maak er een sport van om steeds binnen de tijd te blijven en beloon jezelf met iets leuks in de tijd die je overhoudt.

  7. Gooi dingen weg
    Bewaar geen onnodige papieren. Wat vandaag niet nuttig is, is het morgen ook niet. En als het later wél nuttig blijkt, dan heb je het zo weer gevonden en waarschijnlijk is dat een betere versie.

  8. Zeg NEE
    Zeg minimaal één keer per dag nee tegen iets wat jou teveel tijd gaat kosten.

  9. Leer je leerlingen nakijken
    In het begin kost dit veel tijd en energie en natuurlijk moet je dagelijks steekproeven houden, maar dit levert uiteindelijk een enorme tijdwinst op.

  10. Delegeer
    Bedenk bij alles wat je gaat doen of jij werkelijk de juiste persoon bent om dit te doen. Zo niet, dan delegeer je de klus naar een collega, ouder of leerling. Of je doet het níet. Maak weloverwogen keuzes.

Wat Trudie betreft, natúúrlijk kwam het goed

Ik heb haar bovenstaande tips gegeven, maar daar had ze natuurlijk niet zoveel aan op donderdagmiddag om half vier. Want tja: waar moet je beginnen?

Een oplossing in zes stappen

  1. Een lijst gemaakt van alles wat ze nog moet doen in deze week én in deze maand.
  2. Een planning gemaakt in haar agenda voor de laatste weken: Esis bijwerken, rapporten, overdracht, opruimwerkzaamheden én voorbereidingen voor het nieuwe schooljaar.
  3. Ruimte gecreëerd in de planning van vrijdag, waardoor het programma minder vol werd en er tijd overbleef voor andere dingen.
  4. Opruimen en nakijken gedelegeerd naar de eerste twee uur op vrijdagochtend: samen met de leerlingen.
  5. Een script geschreven voor telefonische oudergesprekken, waarin Trudie betrokken en warm overkomt, maar het gesprek a) niet langer duurt dan 5 minuten en b) ze wel kan zeggen wat ze kwijt wil.
  6. Vervolgens konden wij een nieuwe afspraak maken. En ze had nog voldoende tijd over om haar lessen van vrijdag voor te bereiden.

 

Trudie blij, ik blij, moeders blij, iedereen blij.

Zoek je een goede coach? Klik hier.

Zoek je een goede agenda voor het nieuwe schooljaar? Kijk dan eens hier.

Hoe je contact maakt met je leerlingen – zonder vriendjes te worden

Hoe je contact maakt met leerlingen - zonder vriendjes te worden

‘Willen jullie nu even je mond houden? Ik wil iets vertellen.’ Juf Maartje kijkt naar de poster met de klassenregels erop. Als juf praat – dan ben ik stil staat bovenaan. Ze kijkt de klas in. ‘Hallo, cóntact.’

‘Vertel maar hoor, juf.’ Katinka stoot Halima aan en fluistert haar iets toe. Halima lacht in haar hand.

Bram laat zijn pen vallen en duikt onder zijn tafel. ‘Waar is dat kreng?’ Pieter en Ibrahim staan op en zoeken luidruchtig mee.

‘Juf wil wat zeggen.’ Petri is nauwelijks te horen. Maartjes ogen schieten heen en weer tussen de jongenskluwen onder Brams tafel en Petri. Ze aarzelt. ‘Jongens…’.

‘En meísjes’, roept Katinka.

Binnen drie tellen zoekt de halve klas naar Brams pen.

Maartje gaat achter haar bureau zitten. Ze kijkt in het klassenboek – alsof dáár staat wat ze nu moet doen.

Heeft Maartje echt contact met haar leerlingen?

Ik denk van niet. Als er echt contact is, is er sprake van wederzijds respect. Bram en Katinka hebben duidelijk geen respect voor deze juf. Petri heeft dat waarschijnlijk wel, maar hij wordt niet gehoord.

De klas volgt Bram en Katinka, zij voeren de norm aan in deze klas. Wat zij eigenlijk zeggen is: ‘Wij luisteren niet naar Juf Maartje en dat moeten jullie ook niet doen’. De rest van de klas volgt.

Wat moet Maartje nu doen? Een oplossing in drie stappen:

Maartje heeft natuurlijk te laat ingegrepen. Zij had Katinka meteen tot de orde moeten roepen. Dat kan nu niet meer. Ze moet nu redden wat er nog te redden is.

‘Over vijf tellen zit iedereen op zijn plaats met de mond dicht. Vijf, vier, drie, twee, één, en stíl.’ Een andere zin kan ook, als je de zin maar hard, duidelijk, met overtuiging, op twee benen en in directieve vorm uitspreekt.

Met complimenten, handgebaren en blikken stuur je de leerlingen tijdens het tellen de juiste kant op. Complimenten geef je met naam, correcties zeg je zonder naam, algemeen.

De tweede stap is het herhalen van de klassenregels. Maartje moet er voor gaan zorgen dat alle leerlingen zich hier – opnieuw – aan committeren. Ook moet zij duidelijk maken welke sancties er staan op het overtreden van de regels. Vervolgens moet zij de regels en de consequenties consequent gaan toepassen.

De derde stap is het creëren van een respectvolle relatie met alle leerlingen

Het is de taak van iedere leraar om dat op haar eigen manier te doen. Zij moet hierin het voortouw nemen en het goede voorbeeld geven. Maar een leraar mag nooit vriendjes worden. De leraar moet er boven blijven staan.

Zes tips om contact te maken en te houden met je leerlingen:

1. Het begint al bij binnenkomst. Sta (als dat kan) bij de deur. Kijk je leerlingen in de ogen en wissel een woordje met iedereen. Luister actief!

2. Meen wat je zegt, wees oprecht. Toon je waardering. Leerlingen voelen het als je je aandacht er niet echt bij hebt en dat gaat uiteindelijk tegen je werken.

3. Heb respect voor andere meningen en opvattingen, ook al ben je het er zelf helemaal niet mee eens. Als je je leerlingen oprecht serieus neemt dan merken ze dat en dan nemen ze jou ook serieus.

4. Voel je betrokken bij de leerlingen. Toon oprechte belangstelling. Leef mee met onvoldoendes, trouwfeesten en nieuwe kleren én onthoudt dat de oma van Bram gisteren jarig was.

5. Denk aan je lichaamstaal. Zoek regelmatig oogcontact,  glimlach of kijk streng. Knipoog. Sta altijd sterk:  zelfverzekerd (op twee benen), geef schouderklopjes en werp trotse blikken.

6. Je mag open zijn over jezelf, vertel over je gedrag, je gevoelens, je mening en wat je gisteren gegeten hebt. Daarmee bevorder je empathisch gedrag; je geeft zelf het goede voorbeeld.

Wil je meer weten over het starten in een nieuwe klas, het maken van contact en het duidelijk neerzetten van een structuur?

Geef je dan op voor het online webinar Sterk Starten in de Klas.
Je vind via deze link meer informatie en je kunt je hier ook opgeven.

Wil je meer weten over contact maken met leerlingen? Kijk dan hier.

Tien praktische tips voor startende leraren en zij-instromers

Tien praktische tips voor startende leraren en zij-instromers

1. Bereid je goed voor

Laat je rondleiden door de school, maak met iedereen contact en als je een eigen lokaal krijgt, denk dan vast na over de inrichting.
Maak je eigen onderwijsboek, met daarin:
* schoolregels
* klassenregels
* routines
* consequentieladder
* leerlijnen

2. Zorg voor een sterke start

Organiseer de eerste dag/les en de eerste week strak. Bedenk leuke activiteiten om kennis te maken en weet goed wat jouw leerlingen straks van- en over jou mogen weten – en wat niet.

3. Wordt vrienden met het OOP

Als je goed overweg kunt met de conciërge, krijg je altijd hulp als het kopieerapparaat vastloopt. Ook kan je, met enig geluk, zo nu en dan een kopje koffie of thee verwachten.

4. Sta sterk

Stel duidelijke grenzen. Praat vriendelijk met al je collega’s, maar ga niet in op roddel en achterklap. Wees ook vriendelijk voor je leerlingen, maar grijp wél meteen in bij overtredingen.

5. Besef dat je (nog) niet alles kunt

Je hoeft ook nog niet alles te kunnen, en zeker niet alles tegelijk. Iedereen heeft zijn sterke en zwakke punten, jij ook. Kies wat belangrijk is en focus daar op.

6. Zorg dat je plezier hebt

Heb lol in het houden van orde – zie het als een spelletje. Geef je lessen enthousiast en met passie. Verzamel leuke werkvormen en activiteiten.

7. Neem de tijd

Laat je niet opjagen, voorkom dat je wordt overvallen door de waan van de dag. Wat vandaag niet kan dat komt morgen wel. De school loopt niet weg.

8. Maak een jaarkalender

Zorg dat je een goed overzicht hebt van alles wat er moet gebeuren komend schooljaar. Toetsen, feesten, oudercontacten, rapporten, overleggen, excursies… zet alles erop.

9. Vraag om hulp

Als je ergens niet uitkomt vraag je om hulp. Het is handig als dat een vast persoon is. Spaar je vragen op; je collega heeft het óók druk. Spreek een wekelijks vragenuurtje af.

10. Doe het voor de leerlingen

Bouw met al je leerlingen zo snel mogelijk een goede relatie op. Onthoudt hun namen en hobby’s zo snel mogelijk. Wordt géén vriend, maar wel een betrouwbare en duidelijke leraar.

In onze online workshop krijg je nog meer praktische tips en krijg je handige invulformulieren om mee aan de slag te gaan. Klik hier voor meer informatie en opgeven

Wil je aan de slag in jouw klas met de Gouden Weken? Klik dan hier

Ik wil het kunnen: orde houden

Maar... waar begin ik als ik orde wil kunnen houden? Wat is het geheim?

Het geheim zit ‘m in de houding die je uitstraalt. Als je laat zien dat je orde kunt houden, dan kun je orde houden.
Als je laat zien dat je het niet altijd kunt, dan kun je het ook niet altijd.

Hoe komt dat?

Dat komt omdat leerlingen speciale, onzichtbare voelhorens hebben. Hiermee vangen ze al jouw non-verbale signalen op. Signalen als: Help, hoe moet ik hier op reageren? pikken leerlingen onmiddellijk op. Vervolgens gaan ze testen of het signaal dat ze hebben opgevangen klopt.

Ze lijkt onzeker, even kijken of ze dat ook echt is

Als jij vervolgens niet-adequaat op de test reageert, dan ben je de orde kwijt. Dat is namelijk een signaal voor andere leerlingen om jou ook te testen.

Mag ik nooit onzeker zijn?

Je mag zeker wel onzeker zijn. De hele tijd, als je dat wilt. Maar je mag het niet laten merken aan je leerlingen. Je zeker voelen en orde kunnen houden zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

Hoe doe ik dat – me zeker voelen?

De eerste stap is het bedenken van wetten die voor jou belangrijk zijn. Wetten zijn géén regels en geen richtlijnen, maar duidelijke grenzen voor wat wél en voor wat niet mag in een klas. Ik noem dat: Wetten van Orde. Drie wetten zijn voldoende.

De eerste wet van orde: Een Leraar zet de Trias Politica buiten spel

In een democratie kennen wij de trias politica, dat is de scheiding der machten. Regering, politie en rechter staan los van elkaar en controleren elkaar – zoals bij ons in Nederland.

  1. In een klaslokaal is géén democratie. Er is géén scheiding der machten. Een leraar is koning in zijn eigen lokaal. Hij bepaalt wat wél en niet mag in zijn lokaal, hij staat bij de deur en heet zijn onderdanen iedere dag opnieuw hartelijk welkom. Een goede koning is geen tiran maar wél een autoriteit met gezag; vriendelijk doch beslist. Hij heeft het beste voor met zijn onderdanen, maar ze moeten wel doen wat hij zegt. Zonder autoritair te zijn.

  2. Naast koning is de leraar ook politieagent. Hij heeft immers de macht om leerlingen aan te houden en op de bon te slingeren. Als een agent dreigt om je op de bon te slingeren maar hij doet het niet, dan haalt hij zijn eigen gezag onderuit. Je neemt die agent niet meer serieus.

  3. Tot slot is een leraar ook rechter, want hij beslist wie uiteindelijk welke straf krijgt en omkleedt de straf met redenen. Een rechter moet altijd goed uitleggen waarom hij een bepaalde straf geeft, anders komt iedereen in opstand. En dat is terecht: iedere boef heeft rechten en daarmee recht op uitleg. Dat wordt in een klaslokaal wel eens vergeten.

    Realiseer je deze eerste Wet van Orde goed: in een klaslokaal kent men geen Trias Politica.

De tweede wet van orde: Een Leraar blijft buiten het grijze gebied

Dat betekent: een leraar is altijd consequent. Ik heb het ook vaak meegemaakt: het grijze gebied. De leerlingen waren druk en bleven maar door me heen praten. Mijn geduld was op en ik zei: ‘degene die nu zijn mond nog open doet, die vliegt eruit!’ En de eerste die haar mond open deed, was natuurlijk het liefste meisje van de klas. In zo’n geval moet je consequent zijn en haar eruit sturen, terwijl je weet dat de rest van de klas in opstand komt. De truc is om dan uit te leggen dat je haar er wel uit moet sturen: het meisje heeft gewoon stomme pech. Dat gebeurt. Iedereen heeft wel eens pech. Een leraar die niet consequent is, krijgt problemen met gezag en orde. Je moet consequent zijn, ook als je dat niet wilt. Ook als een leerling smoesjes heeft en in discussie gaat. Iedere discussie kap je af – leg uit waarom en ga door met je les. Blijf vriendelijk, dat noemen we warm-streng. Na schooltijd heb je tijd voor klachten en discussies, maar nu moet de les verder.

Als je twijfelt of je in moet grijpen: denk dan: Er is één leerling die X doet, vind ik het nog steeds goed als 20 leerlingen X ook doen? Ik denk het niet en daarom moet je altijd ingrijpen. Meteen.

De derde wet van orde: Een Leraar geeft een aap altijd terug aan de leerling

De leerling is zelf verantwoordelijk voor zijn gedrag, Ook als hij ADHD heeft of niet wordt opgevoed. De leraar is NOOIT verantwoordelijk voor het gedrag van een leerling. Maar: een leerling zal wel altijd proberen de verantwoordelijkheid bij de leraar te leggen. Dat is menselijk, dat is wat mensen doen: de verantwoordelijkheid afschuiven: Ze zetten hun aap op andermans schouder. Geef die AAP altijd terug aan de eigenaar, die aap is niet van jou.

Dat doe je door leerlingen altijd een keus te geven, zonder waarschuwing: Je mag kiezen: je doet dit of je doet dat. De leerling kiest, jij beslist waartussen. Zo houd je de regie.

Denk even na over hoe consequent jij bent

Voel jij je vaak een politieagent?
Zie  je vaak iets door de vingers?
Raak je vaak in discussie verzeild met leerlingen?
Hoevaak schiet je in de verdediging als een leerling je van repliek dient?

Dit zijn allemaal tekenen van onduidelijkheid. Er ontbreken duidelijke wetten.

Ik was vroeger vaak veel te lief. Ik vond het moeilijk om  meteen in te grijpen. Tot het te ver ging, dan werd ik zo boos dat ik bijna iedereen straf gaf. Dan ging ik dus weer te ver – de andere kant op.

Pas toen ik duidelijke wetten voor mijzelf had opgesteld, kon ik mijn leerlingen daar aan houden. Vanaf dat moment kon ik het: orde houden.

Wil jij ook orde kunnen houden?

Deze training volg je in je eigen tijd en in je eigen tempo.
De training kost € 149,-, maar met deze kortingscode krijg je € 50,- korting:

IKGAORDEHOUDEN

Wil je eerst een voorproefje?
Je kunt ons webinar De Drie wetten van Orde hier terugkijken

Wanneer activerende of coöperatieve werkvormen effectief zijn in jouw onderwijs

Wanneer activerende of coöperatieve werkvormen effectief zijn in jouw onderwijs

Activerende of coöperatieve werkvormen zijn werkvormen die je inzet om jouw onderwijs effectiever te maken op de volgende drie vlakken:

1. Je leerlingen zijn meer gemotiveerd om mee te doen

2. De leerlingen onthouden de lesstof beter

3. Je hebt zelf meer plezier in het lesgeven

Eigenlijk is het heel logisch

1. Als leerlingen het leuk vinden om mee te doen met de les dan zijn er minder verstoringen

2. Als de lesstof actief verwerkt wordt dan blijft er meer hangen bij je leerlingen

3. Als je zelf meer plezier hebt dan komt er nóg meer aan bij de leerlingen

Wat is het verschil tussen activerende en coöperatieve werkvormen?

1. In de basis is er geen verschil; ze werken beide activerend

2. Coöperatief is: samen.

3. Activerend lijkt ook individueel te kunnen – maar een leerling zit nooit alleen in de klas

Daarom gebruik ik ze door elkaar

Wanneer werken activerende of coöperatieve werkvormen niet?

1. Als je niet precies uitlegt en voordoet wat de stappen zijn van de werkvorm
Als je dat wél doet, kun je het zelfs gebruiken in lastige klassen

2. Indien je verzuimt om 100% van je leerlingen te eisen qua inzet en resultaat
Als je dat wel doet, krijg je snel hogere opbrengsten

3. Veel leraren praten zelf 85% van de lestijd, dus alsjeblieft: draai dat om
Als je dat niet doet, heeft je werkvorm te weinig effect

Wat zijn er voor werkvormen?

1. Energizers: werkvormen om actief te leren of om de zinnen even te verzetten

2. Verwerkingsoefeningen: om de leerstof te in te slijpen en te oefenen

3. Brainstormoefeningen: om op basis van aanwezige kennis tot nieuwe inzichten te komen

En ja, dit is echt waar:

1. Het kost jouzelf weinig tijd en energie – je laat de leerlingen het werk doen

2. Jouw inzet bestaat uit het goed uitleggen en oefenen van een werkvorm

3. Een goed ingeoefende werkvorm bespaart jou veel voorbereidingstijd

Waar vind je de verschillende werkvormen?

1. Op internet

2. In boeken

3. Bij collega’s

Wanneer doe je mee aan mijn online workshop?

Als je:

1. Vijf werkvormen wilt leren waarvan het effect wetenschappelijk is bewezen

2. Wilt weten hoe je de leerlingen deze werkvormen aanleert

3. Toch niks te doen hebt op 3 juni om 14.00 uur

4. Wel wat te doen hebt op 3 juni om 14.00 uur – want je kunt ook later kijken

5. Daar €15,- voor over hebt – dat is de investering (en misschien wil je directeur wel betalen)

Klik hier voor meer informatie of om je alvast op te geven