Een presentatie houden… hoe leer je dat?

Een presentatie houden… hoe leer je dat?

Wij vragen onze leerlingen regelmatig om een presentatie te houden. Of een spreekbeurt. En ik kan me herinneren dat ik, toen ik pas voor de klas stond, vond dat mijn leerlingen “dat maar gewoon moesten kunnen”. Ik had geen idee dat, of hoe, ik ze dat zou kunnen leren. Maar nu weten we dat we onze leerlingen alles moeten leren.. ook het houden van een presentatie. 

Presenteren kun je leren

Ik las in een oude “Juf” (Malmberg) een artikel met als titel “Presenteren kun je leren” Dat artikel heb ik gebruikt om een stappenplan te maken. Een stappenplan dat ik vroeger graag had willen hebben om de leerlingen beter te kunnen helpen.

Een stappenplan

1. Actief en respectvol luisteren.

Allereerst moeten de leerlingen leren hoe ze actief en respectvol luisteren:

  • Zit rechtop en kijk naar de presentator.
  • Schrijf eventuele vragen op, het liefst in een daarvoor speciaal bestemd schrift.
  • Praat er niet doorheen. (Stel je voor dat je daar zelf staat.)
    Fouten maken mag.

2. Hoe kies je het juiste onderwerp?

Soms krijgen leerlingen een onderwerp toegewezen, soms mogen ze zelf kiezen. In het eerste geval is het belangrijk om duidelijk aan te geven welke onderdelen bij het onderwerp horen, en welke beslist niet.

In het tweede geval moeten de leerlingen hun onderwerp afbakenen als het te groot is. “Voetbal” is zo’n voorbeeld. Het is dan beter als een leerling zijn of haar favoriete speler of club kiest.

3. Maak een mindmap of woordenweb.

Zet het onderwerp in het midden en laat de leerlingen er een maximaal aantal takken (subonderdelen) bij schrijven. Je kunt ook een voorgedrukte mindmap uitdelen, waarin de namen van de takken alvast staan ingevuld. Zorg ervoor dat iedere tak zijn eigen kleur krijgt. Maak eerst klassikaal een mindmap; doe het voor. Mindmappen werkt ook goed bij het maken van een verslag of werkstuk. 

4. Teksten en plaatjes

Sommige leerlingen werken graag vanuit plaatjes, anderen beginnen liever met tekst. Laat de leerlingen daarom bewust kiezen. 
Schrijvende leerlingen laat je per subonderdeel een tekstje schrijven. Daarna gaan ze er plaatjes bij zoeken.
Visueel ingestelde leerlingen laat je per tak plaatjes zoeken en daarna bij ieder plaatje een tekstje schrijven.
Geef altijd het (minimaal) vereiste aantal pixels op, zodat er tijdens de presentatie geen wazig zoekplaatje op het digibord  staat.

5. Filmpjes

Vertel dat eventuele filmpjes niet langer dan 2 minuten mogen duren.

6. Voorlezen

Je voorkomt het voorlezen van teksten door de leerlingen in tweetallen van te voren te laten oefenen aan de hand van een blaadje met steekwoorden. Dat kan ook ook in de vorm van een woordenweb of mindmap. Op deze manier kun je leerlingen trouwens ook laten oefenen met het vertellen van “boekzinnen” in hun eigen woorden.

7. Presenteren voor de hele groep

Geef regelmatig opdrachten, waarbij leerlingen staand (eerst achter hun stoel en daarna voor de klas) iets moeten vertellen. Zo’n vertelling duurt eerst 30 seconden en dat kan je langzaam opbouwen.

Geef daar de volgende aandachtspunten bij en geef daar ook feedback op:

a. Sta op twee benen.
b. Bedenk wat je met je handen doet.
c. Kijk je medeleerlingen om de beurt aan, kijk niet naar een punt of over de hoofden heen.

8. Over het stellen van vragen na afloop van een presentatie

Leer je leerlingen vragen stellen met de volgende beginwoorden:
a. Hoe denk je dat…
b. Sinds wanneer…
c. Hoe zou jij…
d. Wat is het belangrijkste dat…
Zet deze zinnen op het bord, zodat ze kunnen spieken.

9. Een presentatie maken met Powerpoint

Ook dat moeten leerlingen leren. Geef als eerste oefening oefening alle leerlingen hetzelfde onderwerp en geef ook aan hoeveel dia’s er minimaal en maximaal getoond mogen worden. Vertel ook welke eisen je stelt aan spelling, stijl, zinsbouw en illustraties.

10. De beoordeling van een presentatie

Het is meestal zo dat zowel jij als leraar als de leerlingen de presentatie mogen beoordelen. Ik vind dat altijd een moeilijk punt, omdat vriendjespolitiek en/ of affiniteit met het onderwerp vaak een rol spelen.

Het is beter om bijvoorbeeld 10 punten aan te geven, waar een presentatie aan moet voldoen. Dan is jouw beoordeling in ieder geval duidelijk en transparant:
Je: 
a. bent goed goed te verstaan.
b. staat op twee benen.
c. vertelt met passie over het onderwerp.
d. leest niet voor, je gebruikt je eigen woorden.
e. spreekt foutloos Nederlands qua grammatica
f. zegt maximaal 25 keer “..eh..”.
g. presentatie heeft ongeveer 10 dia’s.
h. weet duidelijk meer van het onderwerp dan hetgeen je gepresenteerd hebt.
i. je hebt 8 duidelijke plaatjes, die iets toevoegen aan je verhaal.
j. powerpointpresentatie voldoet aan de gestelde eisen
Je kunt ook nog eventueel een bonuspunt geven: 
k. Je hebt iets verrassends ingevoegd. Een filmpje, een quiz, een anekdote, een spel. Leuk voorbeeld: bij een spreekbeurt over “de Olifant” heeft de leerling een olifantendrol meegenomen…

Leerlingen kunnen feedback geven met de volgende hulpzinnen:

a. Het meest interessante wat ik gehoord heb was…
b. Wat ik nog niet wist was…
c. Wat ik erg goed vond was…
d. De volgende keer kan je beter…
Ook deze zinnen kun je op het bord zetten.

Veel plezier!

Wil je meedoen met mijn gratis webinar over De drie wetten van orde? Klik dan hier.

Wil je meer weten over digitale presentatievormen voor het onderwijs? Klik dan hier.

Zeven tips om iemand de gordijnen in te jagen

Iemand de gordijnen injagen...

… is helemaal niet zo moeilijk. Mensen doen het dagelijks, bewust of onbewust. 
Leerlingen jagen leraren de gordijnen in om te kijken of een leraar wel orde kan houden.
Collega’s doen het als ze geen tijd voor je hebben.
Ouders doen het als ze niet willen of kunnen begrijpen wat een leraar zegt.
Leidinggevenden reageren bot als ze geen geduld met iemand hebben.
Coaches doen het wel eens expres… als ze willen dat iemand ergens over na gaat denken, of om te kijken hoe de coachee reageert.

Gordijnen hebben te maken met weerstand

Herken jij dit ook?
Weerstand bij een leerling… die iets moet maar niet wil.
Geklaag van een collega… vanwege de volgende verandering in het beleid op school.
Onwil om te luisteren bij jezelf… als een collega bij jou komt met een lang verhaal terwijl je geen tijd hebt.
Weerstand bij een ouder… die het totaal niet met je eens is waar het jouw leerling betreft.

Zonder weerstand geen glans

Met de volgende zeven tips krijg je ouders, leerlingen en collega’s razendsnel de gordijnen in:

1. Zeg: ‘Doe niet zo stom.’

2. Haal je schouders demonstratief op.

3. Reageer heel verbaasd.

4. Zeg: ‘Doe niet zo moeilijk.’

5. Laat heel duidelijk je irritatie blijken (verbaal en non-verbaal).

6. Stap onmiddellijk naar een ander en begin te roddelen. Het liefst waar het onderwerp van gesprek mee kan luisteren.

7. Vraag op verongelijkte toon: ‘Waarom niet?’

Sommige reacties helpen ook om orde te houden

Probeer maar uit 😉

Deze tip hoort er wel bij: Speel toneel!
Maak duidelijk met je houding, je gezichtsuitdrukking en de toon van je stem dat je toneel speelt. Anders denken ze nog dat je het meent.

Nog een tweede tip: Doe dat niet bij autisten.

Wil jij orde leren houden? Kijk dan in onze webshop. Wij hebben een geweldige online cursus voor je gemaakt. En via deze pagina kun je je opgeven voor ons gratis webinar ‘De drie wetten van orde’ op woensdagavond 30 september. Dan krijg je alvast een voorproefje.

Dromen in de klas

Dromen in de klas

Ik ben ook zo’n dromer. Lekker naar de lucht staren en nadenken over van alles en nog wat. Als ik dat doe, is er niemand die daar iets van zegt. Maar als leerling… mag je dan wel dromen in de klas?

Let eens even op!

 We willen graag dat onze leerlingen goed naar ons luisteren. We willen een actieve houding, waar wij aan kunnen zien of een leerling oplet en meedoet: gewenst zichtbaar gedrag. Het liefst willen we dat de hele dag zien, tijdens alle lessen en alle instructies. Dromen in de klas is eigenlijk niet toegestaan. Maar even onder ons:

Hoe lang achter elkaar kan jij eigenlijk naar iemand luisteren?

Wij volwassenen zijn getraind om lang te kunnen luisteren: minimaal 30 minuten. En dat haalt niet iedereen, zeker niet als de spreker saai spreekt of weinig vragen stelt. Daarnaast spelen ook frisse lucht en de temperatuur in de ruimte een rol. Het kan dus voorkomen dat je na vijf minuten al bent afgehaakt en een half uur later opschrikt omdat je buurman even gaat verzitten.

Een vuistregel voor het onderwijs

Leerlingen kunnen ongeveer net zoveel minuten gefocust luisteren als zij in jaren oud zijn. Een kleuter begint dus bij ongeveer vier minuten. In groep 8 is dat ongeveer vijftien minuten. Tijdens de puberteit wordt het weer wat minder en daarna schiet het omhoog. 

Behalve bij AD(H)D-ers

Zij kunnen het wel léren, met zorgvuldige training en veel complimenten. Net zoals dyslecten goed kunnen leren lezen en spellen.

Ja, maar...

Ik hoor het je zeggen:
‘Als ik voorlees, kunnen mijn leerlingen heel lang luisteren.’
‘Tijdens mijn lessen doet iedereen goed mee.’
‘Mijn kleuters hebben een uitstekende luisterhouding.’

En ja, dat klopt. Die vuistregel gaat om alleen maar luisteren. Je kunt die tijd verlengen op verschillende manieren.

Zeven tips om de luistertijd van leerlingen te verlengen

  1. Speel met je stem
  2. Illustreer je verhalen met plaatjes en filmpjes
  3. Stel na iedere alinea een vraag, waar alle leerlingen op moeten antwoorden (met vingers, wisbordjes of een andere activerende techniek)
  4. Zorg altijd voor voldoende frisse lucht, licht en een prettige temperatuur in je lokaal
  5. Doe energizers en ontspanningsoefeningen tussendoor
  6. Haal nooit tijd af van de pauze of de gymles; leerlingen hebben die bewegingstijd hard nodig
  7. Geef je leerlingen dagelijks momenten waarop ze even mogen dromen in de klas

Wil je meer weten over mijn online jaarprogramma? Klik hier
Wil je meer weten over dromen? Klik hier

Het wij-gevoel

Het wij-gevoel in de klas

Aan het begin van het schooljaar moet je je als startende leraar focussen op drie zaken: tijd, routines en relatie. Vooral de laatste is erg belangrijk. Jij moet de leerlingen leren kennen, de leerlingen moeten weten wie jij bent én de leerlingen moeten elkaar (weer of beter) leren kennen. De snelste manier om een goede onderlinge band op te bouwen is het creëren van een wij-gevoel in de klas.

Hoe doe je dat?

Een wij-gevoel creëer je op drie manieren:

  1. Je spreekt de eerste dagen consequent in de wij-vorm (op het irritante af; zoals ouderwetse zusters in het ziekenhuis)
  2. Je maakt iedere leerling expliciet verantwoordelijk voor de zorg voor de klas (zowel voor spullen als voor mede-leerlingen)
  3. Je maakt herhaaldelijk duidelijk dat elke leerling er mag zijn, ongeacht de rol van iedere leerling in de groep (en je mag die rollen ook benoemen)

En natuurlijk...

…is het handig om de namen van je leerlingen zo snel mogelijk te kennen. Het liefst al de eerste dag. Omdat voor elkaar te krijgen zijn er verschillende trucjes. Ik noem er een paar:

  1. Naamstickers opplakken
  2. Naambordjes maken
  3. Alle leerlingen een spreekbeurt laten houden (van een minuut) over hun naam
  4. Doe een namenspelletje
  5. Spreek alle leerlingen minimaal vijf keer per dag aan met hun naam – en turf hoe vaak je goed of fout zit
  6. Een smoelenboek (foto’s en namen) maken en daar lotto of bingo mee spelen
  7. Een liedje of gedicht laten maken op alle namen en voordragen.

Noem de naam wel:

  1. Bij het geven van complimenten. Het liefste dwars door de klas en hardop
  2. Als je een leerling als voorbeeld wilt stellen. Positief (spreekt voor zich) of negatief (als de leerling zeer grensoverschrijdend gedrag vertoont en jij precies weet hoe je deze leerling tot de orde moet roepen)
  3. Bij het geven van beurten, cijfers en dergelijke aankondigingen.

Noem de naam niet:

  1. Als je wacht tot leerlingen stil zijn, hun boek gepakt hebben en wat dies meer zij: Ik wacht nog op 2 boeken…
  2. Bij het aanspreken op kleine overtredingen: doe dat onder vier ogen
  3. Als je een leerling wilt aanspreken op zijn/ haar gedrag: Wat fijn dat de meeste leerlingen wél laten zien hoe wij ons dienen te gedragen in deze klas

Zeven manieren om je les leuk te starten!

De begintaak

Als leraar begin je het best met een begintaak. Dan kun jij bij de deur staan en alle leerlingen persoonlijk welkom heten en alvast een praatje en compliment maken. De leerlingengaan rustig op hun plaats zitten en beginnen met hun begintaak. Dat voorkomt onrust en onnodig geloop door de klas. Ik geef je zeven manieren om je les leuk te starten

Een begintaak moet voldoen aan zes eisen

  1. De instructies staan op het bord
  2. Er staat een timer ingesteld, zodat men weet hoelang er aan gewerkt moet worden
  3. Het benodigde materiaal ligt op de tafels of in jouw buurt, waar leerlingen de taak pakken voor ze gaan zitten
  4. De leerlingen moeten de taak zelfstandig en zonder hulp kunnen uitvoeren
  5. Het is (bij voorkeur) een schriftelijke taak
  6. De taak is een terugblik op de vorige les óf een opwarmer voor de komende les

Zeven tips om je les leuk te starten

  1. Begin met een breinbreker, rebus of puzzel
  2. Zet een kijkplaat of foto op het digibord en geef daar een gerichte opdracht bij
  3. Geef een korte, schriftelijke toets waarin je één lesdoel toetst
  4. Laat de leerlingen reflecteren op een gebeurtenis van de vorige les – met open én gesloten vragen
  5. Laat de leerlingen een stuk lezen en daar vragen over beantwoorden
  6. Begin met een origami-opdracht; bijvoorbeeld een kikker of een kraanvogel
  7. Laat de leerlingen een mindmap maken over een bepaald onderwerp

Veel plezier!

Wil je meedoen met de gratis online workshop Sterk starten voor de klas? Klik dan hier.

Wil je meer weten over het online jaarprogramma? Klik dan hier.

En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer

En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer...

‘En toen kropen er plotseling 32 kleuters over de vloer.’ Dana keek me hulpeloos aan. ‘Ik had nog nooit een kleuter van dichtbij gezien.’
Ik schoot in de lach. Dana is een fantastische kunstdocent – met gevoel voor humor. Ze was ingehuurd om een hele dag tekenles te geven op een basisschool. Acht lessen aan acht groepen. Ze was begonnen in groep 8 en zakte gedurende de dag af naar de onderbouw. Het team was erg te spreken over Dana en haar lessen – behalve de kleuterjuffen.

Om kwart voor twee zat er verf op de muren en de vloer, lagen er overal ongewassen kwasten en zagen alle kleuters zwart van de houtskool

Toen Dana had gezegd: ‘We gaan opruimen’, lagen alle kleuters plotseling op de vloer, op zoek naar houtskoolpijpjes, kwasten en stukken papier. Er vielen potten water om – zelfs over een paar kunstwerken, en de herrie was zo enorm, dat Dana er niet meer bovenuit kwam. Ze werd gered door de juf, die alle kinderen binnen tien tellen in de kring had zitten – met hun mond dicht. Zonder haar stem te verheffen.

Dana schudde haar hoofd. ‘Hoe dóen ze dat toch…’

In de bovenbouw waren haar lessen soepel verlopen. Het opruimen ging vlot en de leerkrachten vroegen of ze nog een keer kwam. Maar de kleuterjuf pakte een emmer sop en duwde deze in Dana’s handen. ‘We laten de laatste les vervallen. Dat is namelijk óók een kleutergroep. En je bent nog wel even bezig hier.’
De school vroeg mij of ik Dana wat tips kon geven. ‘We willen graag dat ze nog een keer komt. Ook bij de kleuters, maar dan zonder puinhoop.’

Tien tips voor het lesgeven aan kleuters:

  1. Jonge kinderen kunnen maar kort (4-6 minuten) luisteren. Zij leren vooral door bewegen en doen. Stap voor stap voordoen en laten nadoen is heel belangrijk. Zorg dus voor korte, duidelijke opdrachten met een voorbeeld. Spreek in korte duidelijke zinnen en geef één opdracht tegelijk.
  2. Kleuters beginnen (meestal) in de kring, van daaruit worden alle activiteiten gestart en afgesloten.
  3. Activiteiten bij de kleuters draaien om verhalen en voorwerpen. Sluit zoveel mogelijk aan bij wat er in de klas speelt.
  4. Realiseer je dat kleuters motorisch en cognitief (nog) onontwikkeld zijn. Ze kunnen nog niet allemaal knippen, scheuren, opruimen. Hun kijk op de wereld is niet realistisch – maar wel bijzonder.
  5. Jonge kinderen kunnen jou heel goed vertellen hoe de gang van zaken is. Maak daar gebruik van. Ze zijn over het algemeen zelfstandiger (en eerlijker) dan oudere kinderen!
  6. Jonge kinderen zijn er bij gebaat dat de dag en de les hetzelfde verlopen als bij hun eigen juf/ meester. Je kunt dus gewoon de dag volgen zoals de leerlingen jou vertellen – of zoals in de map staat en verwijs naar de dagritmekaarten.
  7. Tussendoor: zingen en bewegen.
  8. Jonge kinderen kunnen ongelukjes hebben. Er liggen dus ergens op school schone kleren. Vraag hulp als je er niet uit komt.
  9. Herhaal wat je aanleert regelmatig, met zoveel mogelijk beweging en afwisseling.
  10. Zorg voor voldoende rustmomenten. Een schooldag is lang en inspannend voor jonge kinderen.

Wil je hulp bij het opstarten van een kleuterklas? Bekijk dan mijn aanbod voor coaching en begeleiding

Wil je zelf beter leren tekenen? Doe mee aan een workshop van Laura

Wil je een hele simpele tekenles geven? Bekijk dit filmpje

Wil je meedoen aan mijn gratis online workshop Sterk starten voor de klas? Geef je hier op

Elf tips voor een betere communicatie met ouders die het Nederlands slecht beheersen

Over een betere communicatie met ouders

Dit blog gaat over over een betere communicatie met ouders. In dit verhaal draait het om de ouders van Samir.

‘Ik zal het nooit meer doen juf.’
Samir stond in mijn kantoor, ergens tussen de deur en mijn bureau – alsof hij niet verder durfde te komen. Hij keek schuldbewust naar de vloer. De traan ontbrak, maar verder was het plaatje zielig zigeunerjongetje compleet. 

Als kersverse directeur was mijn eerste bezoek van buitenaf dat van de wijkagent

Samir en een ouder vriendje – dat al op de middelbare zat – waren gistermiddag na schooltijd gesignaleerd op de spoorbaan. De wijkagent was not amused. Ik ook niet trouwens.
De wijkagent hield eerst een preek tegen mij over de jeugd van tegenwoordig en het belang van de school. ‘Omdat de ouders van tegenwoordig niet meer opvoeden moet jij dat dus doen.’
Ik knikte, haalde Samir uit de klas en zag de agent preken over de gevaren van spoorwegbanen. Hij eindigde met: ‘Je mag blij zijn dat er niemand aangifte heeft gedaan.’

De wijkagent vertrok

 Samir dacht dat ie er vanaf was en wilde ook weg.
‘Ik ga je vader bellen. Hij en je moeder moeten na schooltijd komen. Dit is te erg.’
Samir verstijfde en trok wit weg. ‘Nee, juf, alstublieft juf. Niet doen juf.’
Ik keek hem streng aan.
Samir hief zijn handen op. ‘Hij gaat me slaan met de riem, juf. Echt waar.’
Dat was het moment waar ik op gewacht had. Ik had eerder met dit bijltje gehakt.

‘Wanneer heeft jouw vader jou voor het laatst geslagen – met een riem?’

‘Vorige week, juf.’ Ik zag Samir door zijn oogharen gluren.
‘Vorige week. En dat was met een riem?’
Samir aarzelde. ‘Weet ik niet meer, juf.’
‘Hoe erg moet iets zijn om met de riem geslagen te worden?’
‘Best wel erg, juf.’
‘Is het erg om op de spoorbaan te lopen?’
Samir keek weer naar zijn voeten.
‘Nou?’ Ik keek nóg strenger. ‘Is het erg om op de spoorbaan te lopen?’
Het kwam er heel zachtjes uit: ‘ja, juf, het is heel erg. Om op de spoorbaan te lopen.’
‘Dus dan verdien je het om met de riem geslagen te worden.’
Het duurde even, maar toen zag ik het kwartje vallen – in Samirs hoofd.

‘Maar juf, dat mag toch niet van jullie?’

Het flapte eruit. Het timide zigeunerjongetje is spoorloos verdwenen.
‘Oh nee? Wie zegt dat? Waar staat dat?’ Ik kijk hem doordringend aan.
‘Als mijn vader mij echt gaat slaan met de riem dan is dat uw schuld.’
‘Nee. Want ik heb niet op de spoorbaan gelopen. Ík ga jou niet slaan.’
Samirs hersens kraken bijna hardop, maar er komt geen oplossing uit zijn mond.

‘Ik ga je ouders nu bellen. Ze moeten vandaag, na schooltijd hier komen. En je gaat ze zelf vertellen wat er gebeurd is. En je vertelt óók dat je bang bent dat je vader je gaat slaan. Alles in het Nederlands. Als je er niet uitkomt, help ik je.’

Met hangende pootjes ging Samir terug naar zijn klas

Ik had mijn punt gemaakt. Er heeft geen leerling meer op de spoorbaan gelopen. En Samir was de laatste leerling die mij heeft geprobeerd uit te spelen tegen zijn ouders.

Of Samir alsnog met de riem heeft gekregen? Dat geloof ik niet. De volgende dag gedroeg hij zich hetzelfde als altijd: een vrolijk jongetje van elf dat van voetballen houdt en zo nu en dan een te grote mond heeft.

Het gesprek met de ouders verliep overigens prima.

Elf tips voor een betere communicatie met ouders die het Nederlands nog niet goed beheersen:

  1. Als het kan: zorg voor een officiële tolk.
  2. Sta kinderen NOOIT toe om te tolken (ook niet 18+). Kinderen zijn altijd partij, vooral in slechtnieuwsgesprekken. Je weet niet hoe ze de boodschap aan hun ouders brengen en in hoeverre zij hun ouders willen beschermen tegen slecht nieuws.
  3. Na een korte begroeting vertel je meteen:
    1. Het doel van het gesprek
    2. De duur van het gesprek
    3. De mededeling waar het gesprek om draait
  4. Geef ouders altijd ruim de tijd om de boodschap te incasseren, na te denken en vragen te stellen. Maak meteen een vervolgafspraak; ook als ouders niet blokkeren.
  5. Heb respect voor andermans cultuur. Je hoeft het ergens niet mee eens te zijn om je wel respectvol op te kunnen stellen.
  6. Benoem het feit dat de jullie communicatie moeizaam kan verlopen door taalproblemen. Leg uit dat je daarom steeds samenvat wat zij gezegd hebben. Vraag hen ook te vertellen wat jij gezegd hebt. Zo houd je de regie en kun je over en weer controleren of de boodschap goed is overgekomen.
  7. Benoem eventuele cultuurverschillen en vraag goed na: zijn het inderdaad cultuurverschillen? Of is er iets anders aan de hand?
  8. Vraag – bij problemen – altijd eerst of de ouders misschien een oplossing weten. Roep hun hulp in. Zie ze als deskundige op het gebied van hun eigen kind.
  9. Gebruik geen woorden die een dubbele betekenis hebben, zoals het woord beter. ‘Het gaat beter’ kan opgevat worden als ‘Het kind is genezen van zijn gedrag of leerachterstand.’
  10. Gebruik beelden, tekeningen, filmpjes, pictogrammen etc. om je boodschap te verduidelijken. Beeld het desnoods zelf uit. En bij gedragsproblemen: zorg dat je het gedag van het kind op film hebt.
  11. Laat je nooit uitspelen door leerlingen óf ouders. Jij hebt en houdt de regie.

Wil je eens oudergesprekken oefenen met een trainingsacteur? Ook dat doet Sterke School. Klik hier voor de mogelijkheden bij jou op school. Zet in op een betere communicatie met ouders.

Kijk hier voor een persiflage op oudercontacten.

Volgende week weer een blog :-)

De zeven dingen die wél op jouw bureau mogen liggen

Het bureau van de leraar

‘Is jouw lokaal al leeg?’ Simone steekt haar hoofd om de deurpost.
Ik knik. ‘Alles zit in dozen, ik moet alleen nog mijn bureau leeghalen. Wordt dit jouw lokaal volgend jaar?’
‘Ja. Kan ik er zo in? Ik wil graag alles klaar hebben voor de vakantie. Dan is het niet zo druk straks in de inloopweek.’
Ik twijfel. Eigenlijk wil ik afscheid nemen in een leeg lokaal. Ik besluit tot een compromis. ‘Vijf minuten.’
Aan het einde van de dag loop ik nog even langs – voor de laatste keer. Simone is druk bezig met het uitpakken van een grote actiontas. Ze schuift met haar arm een stapel plastic verpakkingen in de prullenbak.
‘Stickers, pennen, wisbordjes, stiften… ik kan bijna niet wachten om weer te beginnen.’
Ik lach haar toe. ‘Fijne vakantie.’

Simone is, wat ik noem, een verzamelaar

Mijn bureau was altijd zo leeg mogelijk. Op een vol bureau kan ik niks vinden. Ik ben een opruimer.

Hoe ziet jouw bureau eruit?

Nu is het leeg, hoop ik.

Maar als je straks weer gaat beginnen… maar hoe ziet het eruit na de eerste schoolweek?
Een laptop, pennen, stickers, een plantje, stapels schriften, de boeken en handleidingen die je die dag nodig hebt en natuurlijk je kopje thee en de resten van een traktatie van gisteren.

Maar als je het goede voorbeeld wilt geven...

Houd je je bureau straks zo leeg mogelijk.
Eigenlijk mogen er maar zeven dingen liggen.De dingen die je nodig hebt voor je lessen (zoals de klassenmap, handleidingen en je nakijkpen), liggen op een aparte plank of op een lage kast. 

1. Een spreekstok. Wie de spreekstok vast heeft mag spreken. Alle anderen luisteren.
2. Hele bijzondere plaatjes (of een stempel) voor de leerlingen die iets speciaals hebben gepresteerd. 
3. Een to-do-lijstje in blokvorm. Hier staan dingen op die je vandaag moet onthouden.
4. Een boek. Om uit voor te lezen of om energizers of moppen in op te zoeken.
5. Water, thee of koffie.
6. Drie hele speciale pennen, waar je niet zomaar mee mag schrijven. Daar moet een leerling eerst iets voor doen.
7. Een envelop met de naam van een collega erop en een briefje met een nonsensvraag erin. Dan heb je altijd een loopje voor een leerling die niet meer op zijn stoel kan blijven zitten.

Voel je je nog wat onzeker in jouw klas? Zet dan een achtste item op je bureau: een anker. Iets waar je zelfvertrouwen aan kunt ontlenen. Een foto, een plantje of een beeldje. 

Heb je al gekeken naar het online jaarprogramma van Sterke School? 

Fijne vakantie!

Drie situaties waarin je als startende leraar een grens moet trekken

Drie situaties bij de deur van het klaslokaal

‘Waarom heb je de notulen nog niet af?’ Ria, de directeur, staat met haar armen over elkaar in de opening van de deur van het klaslokaal. ‘Ik wil ze voor vijven hebben.’ Ze draait zich om en beent met grote passen weg. ‘Vandáág’, klinkt het in de verte.
Berend haalt zijn schouders op en gaat verder met nakijken. Als hij zin heeft doet hij het vanavond thuis en anders niet. Met excuses.

‘Goedemorgen.’ Petra staat bij de deur en kijkt haar leerlingen één voor één in de ogen bij het binnenkomen. Daarna maakt ze een Japanse Buiging.
‘Goedemorgen juf.’ De meeste leerlingen kijken en buigen terug.
Chris stapt zonder boe of ba de klas in. Als hij bij zijn tafel is, kijkt hij achterom.
Petra staat in de deur en wenkt hem met een strenge vinger terug.
Schoorvoetend schuifelt Chris terug naar de deur. ‘Goedemorgen, juf Petra.’
‘Je vergeet iets.’ Petra is onverbiddelijk. Ze buigt opnieuw.
Chris buigt terug. Zuchtend.
Petra glimlacht. ‘Goedemorgen Chris, fijn dat je er nu ook bent.’

‘Selena is weer geslagen vandaag en jij hebt er niks aan gedaan. Wéér niet.’ De moeder van Selena staat met haar armen in haar zij op de drempel.
Gerda legt haar bordpen op haar bureau en loopt rustig naar moeder toe. ‘Komt u even zitten, dan kunnen we even rustig praten.’
Moeder maakt een wegwerpgebaar. ‘Ik wil niet praten, ik wil dat je er iets aan doet.’
‘Ik kan er alleen iets aan doen als u me eerst vertelt wat Selena u heeft verteld.’ Gerda haalt twee stoelen van de tafels af en zet ze – op gepaste afstand – neer. ‘Komt u zitten, dan gaan we samen een oplossing bedenken.’
Moeder gaat zitten.

Als startende leraar is het makkelijk om in bovenstaande situaties anders te reageren dan Berend, Petra en Gerda deden.

Bedenk eens wat er dan gebeurd zou (kunnen) zijn:

Berend roept een verontschuldiging naar Ria en begint meteen aan het uitwerken van de notulen. Dat kost hem meer tijd dan hij dacht. Als Berend eindelijk naar huis gaat, is het nakijkwerk niet af is en heeft hij nog niet alle lessen voorbereid. Hij weet nu niet hoe de leerlingen gewerkt hebben en wat hij morgen nog een keer moet uitleggen.

Petra laat toe dat Chris niet groet en geen buiging maakt. Misschien zegt ze: ‘Morgen wel doen, hè Chris…’ Misschien zegt ze niks en gaat ze door met de andere leerlingen. In ieder geval kun je nu voorspellen dat Petra nu dagelijks strijd zal hebben met Chris. En niet alleen om het groeten bij de deur. Chris weet nu dat hij niet hoeft te doen wat de juf van hem vraagt.

Gerda heeft eigenlijk geen tijd om met de moeder van Selena te praten. Ze weet precies wat er gebeurd is: Selena heeft in de pauze een opmerking gemaakt over de kleren van een klasgenootje. Iets met Zeeman. Het klasgenootje haalde uit.
Gerda vertelt moeder dat de ruzie al is opgelost. Ze heeft nu helaas geen tijd voor moeder, maar binnenkort is het ouderavond en dan kunnen ze verder spreken.
Moeder voelt zich afgescheept en zal ten alle tijden de kant van haar dochter kiezen – tegen Gerda. De volgende keer stapt ze rechtstreeks naar de directeur.

Als startende leraar moet je bij situaties bij de deur van het klaslokaal even nadenken wat op dit moment een handige actie is.

Daar zijn drie denkstappen voor:

1. Wat wil diegene precies van mij?
2. Wat gebeurt er als ik geen tijd voor de ander maak?
3. Wat is op dit moment belangrijker?

Voor het bepalen van wat belangrijker is, kun je deze drie criteria hanteren:

1. Veiligheid (zowel fysiek als emotioneel) gaat vóór alles
2. Het belang van de leraar staat op twee
3. Het belang van de leerling (zowel groep als individueel) komt daarna

Bewaak je grenzen op drie manieren:

1. Je laat merken dat je de ander hebt gehoord en gezien
2. Je vertelt hoe je wilt dat het gaat – oplossingsgericht
3. Je blijft consequent

Ga jij volgend schooljaar starten als leraar of zij-instromer? Dan is het online jaarprogramma misschien wel iets voor jou. Klik hier voor meer informatie

Wil je meer weten over communiceren met ouders? Kijk dan eens hier