Tien praktische tips voor startende leraren en zij-instromers

Tien praktische tips voor startende leraren en zij-instromers

1. Bereid je goed voor

Laat je rondleiden door de school, maak met iedereen contact en als je een eigen lokaal krijgt, denk dan vast na over de inrichting.
Maak je eigen onderwijsboek, met daarin:
* schoolregels
* klassenregels
* routines
* consequentieladder
* leerlijnen

2. Zorg voor een sterke start

Organiseer de eerste dag/les en de eerste week strak. Bedenk leuke activiteiten om kennis te maken en weet goed wat jouw leerlingen straks van- en over jou mogen weten – en wat niet.

3. Wordt vrienden met het OOP

Als je goed overweg kunt met de conciërge, krijg je altijd hulp als het kopieerapparaat vastloopt. Ook kan je, met enig geluk, zo nu en dan een kopje koffie of thee verwachten.

4. Sta sterk

Stel duidelijke grenzen. Praat vriendelijk met al je collega’s, maar ga niet in op roddel en achterklap. Wees ook vriendelijk voor je leerlingen, maar grijp wél meteen in bij overtredingen.

5. Besef dat je (nog) niet alles kunt

Je hoeft ook nog niet alles te kunnen, en zeker niet alles tegelijk. Iedereen heeft zijn sterke en zwakke punten, jij ook. Kies wat belangrijk is en focus daar op.

6. Zorg dat je plezier hebt

Heb lol in het houden van orde – zie het als een spelletje. Geef je lessen enthousiast en met passie. Verzamel leuke werkvormen en activiteiten.

7. Neem de tijd

Laat je niet opjagen, voorkom dat je wordt overvallen door de waan van de dag. Wat vandaag niet kan dat komt morgen wel. De school loopt niet weg.

8. Maak een jaarkalender

Zorg dat je een goed overzicht hebt van alles wat er moet gebeuren komend schooljaar. Toetsen, feesten, oudercontacten, rapporten, overleggen, excursies… zet alles erop.

9. Vraag om hulp

Als je ergens niet uitkomt vraag je om hulp. Het is handig als dat een vast persoon is. Spaar je vragen op; je collega heeft het óók druk. Spreek een wekelijks vragenuurtje af.

10. Doe het voor de leerlingen

Bouw met al je leerlingen zo snel mogelijk een goede relatie op. Onthoudt hun namen en hobby’s zo snel mogelijk. Wordt géén vriend, maar wel een betrouwbare en duidelijke leraar.

In onze online workshop krijg je nog meer praktische tips en krijg je handige invulformulieren om mee aan de slag te gaan. Klik hier voor meer informatie en opgeven

Wil je aan de slag in jouw klas met de Gouden Weken? Klik dan hier

Ik wil het kunnen: orde houden

Maar... waar begin ik als ik orde wil kunnen houden? Wat is het geheim?

Het geheim zit ‘m in de houding die je uitstraalt. Als je laat zien dat je orde kunt houden, dan kun je orde houden.
Als je laat zien dat je het niet altijd kunt, dan kun je het ook niet altijd.

Hoe komt dat?

Dat komt omdat leerlingen speciale, onzichtbare voelhorens hebben. Hiermee vangen ze al jouw non-verbale signalen op. Signalen als: Help, hoe moet ik hier op reageren? pikken leerlingen onmiddellijk op. Vervolgens gaan ze testen of het signaal dat ze hebben opgevangen klopt.

Ze lijkt onzeker, even kijken of ze dat ook echt is

Als jij vervolgens niet-adequaat op de test reageert, dan ben je de orde kwijt. Dat is namelijk een signaal voor andere leerlingen om jou ook te testen.

Mag ik nooit onzeker zijn?

Je mag zeker wel onzeker zijn. De hele tijd, als je dat wilt. Maar je mag het niet laten merken aan je leerlingen. Je zeker voelen en orde kunnen houden zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

Hoe doe ik dat – me zeker voelen?

De eerste stap is het bedenken van wetten die voor jou belangrijk zijn. Wetten zijn géén regels en geen richtlijnen, maar duidelijke grenzen voor wat wél en voor wat niet mag in een klas. Ik noem dat: Wetten van Orde. Drie wetten zijn voldoende.

De eerste wet van orde: Een Leraar zet de Trias Politica buiten spel

In een democratie kennen wij de trias politica, dat is de scheiding der machten. Regering, politie en rechter staan los van elkaar en controleren elkaar – zoals bij ons in Nederland.

  1. In een klaslokaal is géén democratie. Er is géén scheiding der machten. Een leraar is koning in zijn eigen lokaal. Hij bepaalt wat wél en niet mag in zijn lokaal, hij staat bij de deur en heet zijn onderdanen iedere dag opnieuw hartelijk welkom. Een goede koning is geen tiran maar wél een autoriteit met gezag; vriendelijk doch beslist. Hij heeft het beste voor met zijn onderdanen, maar ze moeten wel doen wat hij zegt. Zonder autoritair te zijn.

  2. Naast koning is de leraar ook politieagent. Hij heeft immers de macht om leerlingen aan te houden en op de bon te slingeren. Als een agent dreigt om je op de bon te slingeren maar hij doet het niet, dan haalt hij zijn eigen gezag onderuit. Je neemt die agent niet meer serieus.

  3. Tot slot is een leraar ook rechter, want hij beslist wie uiteindelijk welke straf krijgt en omkleedt de straf met redenen. Een rechter moet altijd goed uitleggen waarom hij een bepaalde straf geeft, anders komt iedereen in opstand. En dat is terecht: iedere boef heeft rechten en daarmee recht op uitleg. Dat wordt in een klaslokaal wel eens vergeten.

    Realiseer je deze eerste Wet van Orde goed: in een klaslokaal kent men geen Trias Politica.

De tweede wet van orde: Een Leraar blijft buiten het grijze gebied

Dat betekent: een leraar is altijd consequent. Ik heb het ook vaak meegemaakt: het grijze gebied. De leerlingen waren druk en bleven maar door me heen praten. Mijn geduld was op en ik zei: ‘degene die nu zijn mond nog open doet, die vliegt eruit!’ En de eerste die haar mond open deed, was natuurlijk het liefste meisje van de klas. In zo’n geval moet je consequent zijn en haar eruit sturen, terwijl je weet dat de rest van de klas in opstand komt. De truc is om dan uit te leggen dat je haar er wel uit moet sturen: het meisje heeft gewoon stomme pech. Dat gebeurt. Iedereen heeft wel eens pech. Een leraar die niet consequent is, krijgt problemen met gezag en orde. Je moet consequent zijn, ook als je dat niet wilt. Ook als een leerling smoesjes heeft en in discussie gaat. Iedere discussie kap je af – leg uit waarom en ga door met je les. Blijf vriendelijk, dat noemen we warm-streng. Na schooltijd heb je tijd voor klachten en discussies, maar nu moet de les verder.

Als je twijfelt of je in moet grijpen: denk dan: Er is één leerling die X doet, vind ik het nog steeds goed als 20 leerlingen X ook doen? Ik denk het niet en daarom moet je altijd ingrijpen. Meteen.

De derde wet van orde: Een Leraar geeft een aap altijd terug aan de leerling

De leerling is zelf verantwoordelijk voor zijn gedrag, Ook als hij ADHD heeft of niet wordt opgevoed. De leraar is NOOIT verantwoordelijk voor het gedrag van een leerling. Maar: een leerling zal wel altijd proberen de verantwoordelijkheid bij de leraar te leggen. Dat is menselijk, dat is wat mensen doen: de verantwoordelijkheid afschuiven: Ze zetten hun aap op andermans schouder. Geef die AAP altijd terug aan de eigenaar, die aap is niet van jou.

Dat doe je door leerlingen altijd een keus te geven, zonder waarschuwing: Je mag kiezen: je doet dit of je doet dat. De leerling kiest, jij beslist waartussen. Zo houd je de regie.

Denk even na over hoe consequent jij bent

Voel jij je vaak een politieagent?
Zie  je vaak iets door de vingers?
Raak je vaak in discussie verzeild met leerlingen?
Hoevaak schiet je in de verdediging als een leerling je van repliek dient?

Dit zijn allemaal tekenen van onduidelijkheid. Er ontbreken duidelijke wetten.

Ik was vroeger vaak veel te lief. Ik vond het moeilijk om  meteen in te grijpen. Tot het te ver ging, dan werd ik zo boos dat ik bijna iedereen straf gaf. Dan ging ik dus weer te ver – de andere kant op.

Pas toen ik duidelijke wetten voor mijzelf had opgesteld, kon ik mijn leerlingen daar aan houden. Vanaf dat moment kon ik het: orde houden.

Wil jij ook orde kunnen houden?

Deze training volg je in je eigen tijd en in je eigen tempo.
De training kost € 149,-, maar met deze kortingscode krijg je € 50,- korting:

IKGAORDEHOUDEN

Wil je eerst een voorproefje?
Je kunt ons webinar De Drie wetten van Orde hier terugkijken

Wanneer activerende of coöperatieve werkvormen effectief zijn in jouw onderwijs

Wanneer activerende of coöperatieve werkvormen effectief zijn in jouw onderwijs

Activerende of coöperatieve werkvormen zijn werkvormen die je inzet om jouw onderwijs effectiever te maken op de volgende drie vlakken:

1. Je leerlingen zijn meer gemotiveerd om mee te doen

2. De leerlingen onthouden de lesstof beter

3. Je hebt zelf meer plezier in het lesgeven

Eigenlijk is het heel logisch

1. Als leerlingen het leuk vinden om mee te doen met de les dan zijn er minder verstoringen

2. Als de lesstof actief verwerkt wordt dan blijft er meer hangen bij je leerlingen

3. Als je zelf meer plezier hebt dan komt er nóg meer aan bij de leerlingen

Wat is het verschil tussen activerende en coöperatieve werkvormen?

1. In de basis is er geen verschil; ze werken beide activerend

2. Coöperatief is: samen.

3. Activerend lijkt ook individueel te kunnen – maar een leerling zit nooit alleen in de klas

Daarom gebruik ik ze door elkaar

Wanneer werken activerende of coöperatieve werkvormen niet?

1. Als je niet precies uitlegt en voordoet wat de stappen zijn van de werkvorm
Als je dat wél doet, kun je het zelfs gebruiken in lastige klassen

2. Indien je verzuimt om 100% van je leerlingen te eisen qua inzet en resultaat
Als je dat wel doet, krijg je snel hogere opbrengsten

3. Veel leraren praten zelf 85% van de lestijd, dus alsjeblieft: draai dat om
Als je dat niet doet, heeft je werkvorm te weinig effect

Wat zijn er voor werkvormen?

1. Energizers: werkvormen om actief te leren of om de zinnen even te verzetten

2. Verwerkingsoefeningen: om de leerstof te in te slijpen en te oefenen

3. Brainstormoefeningen: om op basis van aanwezige kennis tot nieuwe inzichten te komen

En ja, dit is echt waar:

1. Het kost jouzelf weinig tijd en energie – je laat de leerlingen het werk doen

2. Jouw inzet bestaat uit het goed uitleggen en oefenen van een werkvorm

3. Een goed ingeoefende werkvorm bespaart jou veel voorbereidingstijd

Waar vind je de verschillende werkvormen?

1. Op internet

2. In boeken

3. Bij collega’s

Wanneer doe je mee aan mijn online workshop?

Als je:

1. Vijf werkvormen wilt leren waarvan het effect wetenschappelijk is bewezen

2. Wilt weten hoe je de leerlingen deze werkvormen aanleert

3. Toch niks te doen hebt op 3 juni om 14.00 uur

4. Wel wat te doen hebt op 3 juni om 14.00 uur – want je kunt ook later kijken

5. Daar €15,- voor over hebt – dat is de investering (en misschien wil je directeur wel betalen)

Klik hier voor meer informatie of om je alvast op te geven

Afspraken met leerlingen

Afspraken met leerlingen

De sfeer in de klas en de wijze waarop je als leraar de orde kunt bewaren hangen af van de regels die er in de klas zijn. Natuurlijk zijn er schoolregels waar zowel leraren als leerlingen zich aan moeten houden, maar in je eigen (klas) is het belangrijk om te weten waar iedereen zich aan moet houden. Daarom moet je duidelijke afspraken met leerlingen maken.

Die afspraken gaan over drie gebieden:

  1. De wijze waarop je met elkaar omgaat en met elkaar spreekt
  2. De manier waarop je je gedraagt
  3. Welke consequenties er volgen als een regel wordt overtreden

Als leraar moet je eerst zelf bedenken wat jij belangrijk vindt. Welke regels wil jij dat er gelden? Die moet je eerst bedenken en opschrijven.

Hoe creëer je vervolgens draagvlak voor jouw afspraken?

Als je wilt dat leerlingen zich aan afspraken houden, moet je zorgen dat je daar draagvlak voor creëert. Dat doe je in drie stappen:

  1. Je vraagt aan de leerlingen waarom er afspraken gemaakt moeten worden.
  2. Je laat de leerlingen met (bijvoorbeeld) de placematmethode zelf afspraken bedenken.
  3. Bij de klassikale inventarisatie zorg je dat de afspraken die de leerlingen bedacht worden, door ze in jouw woorden (passend bij jouw afspraken) te herhalen. Hierbij herhaal je de woorden van de leerlingen, eventueel in een andere context.

Hierna moet je nog vijf dingen doen:

  1. Afspraken van leerlingen bevatten vaak de woorden NIET en GEEN. Verander die afspraken zo, dat ze positief gesteld zijn: wat moeten ze WEL doen?
  2. Spreek consequenties af met de leerlingen. Ook hier kun je de leerlingen bij betrekken, maar je kun ook gewoon zelf een – redelijk – voorstel doen.
  3. Zorg dat alle afspraken en consequenties op posters in de klas – duidelijk zichtbaar – komen te hangen.
  4. Laat alle leerlingen zich committeren aan de afspraken door hand opsteken, een handtekening of een andere actie. Maak er een klein feestje van.
  5. Nu gaan leerlingen je testen: grijp dus meteen in, bij iedere (kleine) overtreding en verwijs naar de posters. Zet ook meteen een passende consequentie in. Als je vanaf het begin consequent bent, heb je daar de rest van de tijd plezier van.

Veel plezier!

Hulp nodig? Stuur me een bericht op mijn nieuwe website

Routines in de klas als basis van goed onderwijs

Routines in de klas als basis van goed onderwijs

Routines in de klas zijn erg belangrijk. Een klas zonder routines heeft de volgende symptomen:

  1. De leerlingen zijn onrustig
  2. Leerlingen roepen en lopen door de klas (en naar de gang)
  3. Het duurt lang voordat de groep stil is
  4. Er zijn veel discussies tussen leraar en leerlingen
  5. Lestijd wordt verspild door lange leswisselingen en veel gepraat

Gebrek aan routines (en daarmee: onrust in de klas) ontstaan door:

  1. De leraar denkt dat leerlingen als vanzelf weten hoe ze de dingen moeten doen
  2. Leerlingen doen de dingen zoals zij zelf bedenken en niemand stopt ze
  3. Er zijn teveel wisselingen geweest van leraren
  4. Twee duo-partners hebben verschillende (of één van de twee: géén) routines ingesteld
  5. Alles routines worden ondermijnd door collega’s of de directie op de school

Wat zijn routines precies?

Routines zijn een systeem van afspraken hoe de dingen in een klas moeten gaan – volgens de leraar. Alle handelingen die regelmatig voorkomen zijn routines.

  1. De klas binnenkomen
  2. Huiswerk inleveren
  3. Op je plaats gaan zitten
  4. Je spullen pakken
  5. Stil worden en luisteren (luisterhouding)
  6. Vragen stellen
  7. Vragen beantwoorden
  8. Naar het toilet
  9. Water drinken
  10. Spullen opruimen
  11. Spullen uitdelen
  12. In de rij gaan staan
  13. Omkleden
  14. Dingen ophalen
  15. ICT-gedrag
  16. Samenwerken in duo’s
  17. Samenwerken in groepjes
  18. Aantekeningen maken
  19. Opdrachten uitvoeren
  20. Toetsen maken
  21. Geen spullen bij hebben, of spullen vergeten zijn
  22. Reageren op consequenties
  23. Naar huis gaan
  24. Huiswerk maken
  25. Enzovoort…

In het algemeen geldt: hoe meer onrust in een klas, hoe meer routines je als leraar in moet stellen

Hoe doe ik dat?

  1. Je maakt een lijst van alle routines
  2. Alle routines krijgen een nummer
  3. Je voert de routines één voor één in:
    1. Zet de routine op het bord, met nummer
    2. Vertel het belang van deze routine
    3. Nummer de stappen van de routine
    4. Je oefent de routine
    5. Complimenteer wie de routine volgt
    6. Bedenk de consequentie voor het verbreken van de routine
    7. Een consequentie volgt na een (duidelijk afgesproken) proefperiode en na één of géén waarschuwing

Let op: Sommige routines volgen op een teken van jou, andere routines moeten de leerlingen zelf initiëren. Je kunt twee verschillende lijsten maken als je dat wilt. Maak dan een A-lijst en een B-lijst.

Waarom is dat nodig? We zitten toch niet in het leger?

Op de meeste scholen en in de meeste klassen gaat alles als vanzelf goed. Maar in de klassen waar ik kom, gaat het zelden goed. Er is teveel onrust en de leerlingen leren onvoldoende. Je kunt een hoop over het leger zeggen, maar feit is wel dat het een organisatie is met duidelijke richtlijnen. En duidelijke richtlijnen is wat onze leerlingen nodig hebben:

  1. Leerlingen komen op school om te leren
  2. Leren kun je alleen als je je veilig voelt
  3. De leraar is verantwoordelijk voor de veiligheid van leerlingen
  4. Een leraar creëert veiligheid door duidelijke regels in te stellen en de leerlingen daar consequent aan te houden

Bij dat laatste punt gaat het vaak mis: consequent zijn

Leerlingen testen de regels (en de routines) onbewust om te testen of de leraar wel echt veilig is.

Consequent reageren is namelijk het moeilijkste wat er is. Daarom is het makkelijker om routines in te stellen en te oefenen. Dan hoef je alleen in het begin flink te oefenen, een paar keer flink in te grijpen en daarna loopt je klas op rolletjes. Stormachtige dagen daargelaten.

Je spreekt je leerlingen altijd aan op vriendelijke toon met een warme houding. Zo voorkom je een militair regime.

Ik wens je veel plezier en succes!

Hulp nodig bij het instellen van routines in jouw klas?  Dat kan met e-coaching. Ik ben gecertificeerd e-coach en help je graag. Stuur me een e-mail en ik neem contact met je op.

Wil je een filmpje zien over goed klassenmanagement? Klik dan HIER

 

Waarom je op je woorden moet letten

Waarom je op je woorden moet letten

Als leraar ben je de hele dag aan het woord. Je maakt contact, Je legt uit, Je corrigeert. Sommige leraren hebben aan het einde van de dag kramp in hun kaken van het eindeloos waarschuwen, aanmoedigen en complimenten geven. Veel leerlingen klagen dat leraren teveel praten. Misschien zeggen ze dat ook tegen jou. Daarom leg ik vandaag uit waarom je op je woorden moet letten.

Waarom moet ik op mijn woorden letten?

Veel van ons onderwijs is auditief. Wij praten en we hopen dat de leerling onthoudt wat we vertellen. Helaas zijn er maar drie manieren waarop een mens iets auditiefs kan onthouden:

  1. Als coherente informatie binnen een aansprekend verhaal
  2. Eindeloze herhaling (minimaal zeven keer binnen een maand)
  3. Ondersteund door beeld of actie

Daarnaast kun je woorden gebruiken om het gedrag van leerlingen te sturen

Zo zijn er woorden die je beter niet kunt zeggen:

1. De woorden NIET en GEEN
Niet en geen zijn niet te vatten voor mensenhersens: ze kunnen er niks mee. Zeg wat leerlingen wél moeten doen.
Bijvoorbeeld: loop rustig en in stilte in plaats van niet rennen.


2. Het woord PROBEREN
Proberen heeft geen doel: je doet iets of je doet het niet. Daar zit niks tussen. Het woord proberen werkt daardoor faalangst in de hand. Als je vertelt hoe een leerling iets wél kan doen (en laat oefenen), krijgt hij succeservaringen.

3. Bijvoeglijk naamwoorden als BETER, GOED en VERVELEND
Deze woorden zijn niet specifiek genoeg en kunnen daardoor niet echt het gewenste effect bereiken.
Als jij zegt: ‘Je moet dit beter doen’, dan weet de leerling niet wat hij precies moet doen.
Het woord vervelend heeft een negatieve lading die niet precies omschrijft wat je ermee bedoelt. Een leerling weet dan niet precies hoe hij daarop moet reageren.
Het woord goed geeft geen ruimte voor afwijkingen. Hoe goed is goed? Wat is goed? Als het niet lukt, is het dan slecht?
Deze woorden maken leerlingen onzeker. Onzekerheid geeft ruis en ruis veroorzaakt onrust in de klas.

Natuurlijk zijn er ook woorden die je juist wél kunt gebruiken:

  1. Woorden als IEDEREEN, NIEMAND en SOMMIGE(N)
    Iedereen kan dit leren (dus jij ook). Niemand mag de deur uit. Sommige leerlingen maken aantekeningen, wat fijn.
    Leerlingen willen graag bij een groep horen en zullen zich door deze woorden willen conformeren aan de groep.
  1. Toepassingen van de woorden WETEN, KUNNEN, VERWACHTEN en VERTROUWEN
    Ik weet dat jij dit kunt. Ik verwacht dat jullie dit op tijd af hebben. Ik weet dat ik op jullie kan vertrouwen.
    Dit zijn positieve woorden, die in combinatie met specifieke opdrachten het gewenste resultaat opleveren: succeservaringen voor leerlingen.
  1. En tot slot: het woord WAARSCHIJNLIJK
    Het woord waarschijnlijk ondersteunt het woord vertrouwen. Hiermee benadruk je nog eens dat jij vertrouwen hebt in jouw leerlingen: je sluit bij ze aan en je toont begrip. Het woord ondersteunt jouw verwachtingen.
    Waarschijnlijk heb je geen zin, maar opdracht 3 moet wel vandaag af.
    Waarschijnlijk komen jullie na de pauze heel rustig de klas in.
    Waarschijnlijk wordt het vandaag een hele leuke les, want ik heb iets leuks bedacht.

Iedereen kan het leren: het is een kwestie van oefenen

Waarschijnlijk ga je jezelf betrappen als je per ongeluk een fout woord zegt. Je kunt jezelf vervolgens meteen corrigeren. Zo wordt je bewust bekwaam.

Tot slot nog drie taaltips:

  1. Vervang het begrip MOEILIJK door het begrip MAKKELIJK
    Als je het woord moeilijk gebruikt, denken leerlingen dat het ook moeilijk is en werp je een drempel op. Vertel dus dat iets nú nog moeilijk is, maar dat jij het makkelijk voor ze gaat maken.
  1. Benoem alleen zichtbaar gedrag
    Ik zie dat jij omgedraaid zit. Ik wil zien dat jij rechtop gaat zitten en naar mij kijkt.
  1. Eindig met de woorden DANK JE WEL
    Dank je wel doet wonderen. Vooral als je het uitspreekt vóórdat een leerling de opdracht heeft uitgevoerd. Ook hier ondersteun je vertrouwen en spreek je positieve verwachtingen uit.
Ik wens je veel plezier en succes!

Heb je een coach nodig? Ik heb tijd voor je. Trek op tijd aan de bel

Wil je een leuk filmpje zien over taalgebruik? Klik dan HIER

Wil je meer blogs lezen over communicatie met leerlingen? Klik dan HIER

Hoe je kunt zien of je leerlingen opletten

Hoe je kunt zien of je leerlingen opletten

Priscilla hangt op haar stoel. Lange benen steken zover uit, dat haar trendy enkellaarsjes in het gangpad liggen. Schouders hangen naar voren. Haar armen liggen languit over de tafel. Een Engels boek staat rechtop tussen haar handen. Let Priscilla nu op of niet? Kun je wel zien of je leerlingen opletten?

Ken je deze discussie:

‘Doe je ook mee, Priscilla?’
‘Ik let toch op.’
‘Ik heb toch de indruk dat je niet helemaal meedoet.’
‘Hoezo dan? Ik doe toch mee? Ik heb m’n boek toch?’
‘Ja, maar lees je ook in je boek?’
‘Mens, doe niet zo moeilijk. Ik lees toch.’

Vaak eindigt deze discussie in een nog grotere mond van Priscilla, waarna de leraar Priscilla de klas uitzet en de rest van de klas boos is op de leraar. Want: ‘Ze deed toch niks?’

Soms eindigt de discussie in winst voor de leraar. Die maakt dan een leuke opmerking of grap, waardoor de spanning wegvloeit en Priscilla rechtop kan gaan zitten zonder gezichtsverlies te lijden.

Hier gaat het om: pubers doen alles om geen gezichtsverlies te lijden tegenover hun klasgenoten

En jij als leraar moet daar mee dealen. De beste oplossing is dus om ervoor te zorgen dat jouw leerlingen nooit met jou in discussie kunnen. Dan voorkom je ieder gezichtsverlies.

De eerste stap is het aanleren van een luisterhouding

Als je leerlingen er actief en betrokken uitzien, heeft dat drie voordelen:

  1. Het beeld is prettig om naar te kijken. Een leraar kijkt liever naar een stel actieve ogen dan naar een klas vol onderuitgezakte vuilniszakken.
  2. Als een leerling rechtop zit en zich gedwongen voelt om actief mee te doen met de les, is de kans groter dat hij/ zij iets leert. Bovendien gaat de tijd sneller voorbij.
  3. Je kunt sneller met je les beginnen en dat zorgt voor meer effectieve lestijd.

Het gaat om gewenst zichtbaar gedrag

  1. Als jij de leerlingen duidelijk maakt wat jij wilt zien om te geloven dat zij opletten, is er nooit discussie.
  2. Maak er een routine van. Bouw terugkerende momenten in je les in waar je altijd een luisterhouding wil zien.
  3. Spreek een teken af en tel af van drie naar nul. Oefen dit teken en de houding die je wilt zien.
  4. Accepteer dat er in het begin veel weerstand is. Heb begrip voor je leerlingen: het is best moeilijk om je gedrag te moeten veranderen. Houd ook voet bij stuk: jij bepaalt wat er gebeurt in jouw klas.
  5. Wees blij met ieder klein stapje. Complimenteer. Maak steeds opnieuw duidelijk dat goed opletten beloond wordt.
  6. Het is natuurlijk het beste als je hier meteen na de zomervakantie begint. Desnoods na een andere vakantie. Als dat niet kan: begin gewoon.
  7. Leg altijd uit waarom je dingen zo wilt. Maak er een win-winsituatie van.

Welke luisterhoudingen zijn er?

  • Voor groep 1 t/m 4: SARK
    • Stil
    • Armen over elkaar
    • Rechtop zitten
    • Kijk naar de juf (meester)
  • Voor groep 5 t/m bejaard: VLORK
    • Vragen stellen en beantwoorden
    • Luister naar de spreker
    • Ogen gericht op de spreker
    • Rechtop zitten
    • Knik als je iets begrijpt of herkent
  • Er is ook een stilteteken, maar dat is nogal onhandig als je het tijdens je instructie wilt gebruiken. Bovendien is het vermoeiend om de hele tijd je arm omhoog te houden.

Het maakt helemaal niet uit wat voor acroniem of naam je gebruikt. Als je het maar ergens op een bord zet en omschrijft als zichtbaar gedrag. Je kunt het controleren omdat je het kunt zien. Zo simpel is het.

Ik wens je veel plezier en succes!

Wil jij leren hoe je orde moet houden? Volg dan de het minitraject Orde Houden.

Wil je een filmpje zien over luisterhouding? Klik dan HIER

Hoe je leerlingen correct taalgebruik leert

Hoe je leerlingen correct taalgebruik leert

Dit blog gaat over correct taalgebruik in de klas.

Geschiedenisles. Meester Johan geeft beurten met het beurtenbakje. Eerst stelt hij de vraag: ‘Wat was het verschil tussen een kaper en een piraat?’ De les gaat over zeehelden. De leerlingen krijgen exact negen seconden bedenktijd.

Johan maakt het spannend door het trekken van de volgende naam even te rekken. De leerlingen zitten op het puntje van hun stoel. Sommigen steken hun vinger op, bedenken dan plotseling dat dat niet meer mag en trekken hun vinger snel weer naar beneden. Gelukkig zag de meester het niet.

De meester kijkt op het getrokken stokje: “Sophie, Wat was het verschil tussen een kaper en een piraat?”. Sophie antwoordt: ‘Piraten waren verboden’. Meester Johan knikt, stelt de volgende vraag en gaat door naar het volgende stokje.

Natuurlijk is het antwoord van Sophie correct, maar als Johan zijn leerlingen zou leren om uitgebreider te antwoorden dan zou dat het spraakvermogen (en daarmee: het denkvermogen) van Sophie en haar klasgenoten sterk verbeteren. Daarom leer ik je deze week hoe je leerlingen correct leert antwoorden.

Waarom moeten leerlingen leren om in volledige zinnen te antwoorden?

De reden is simpel: taal, denken en leren zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden:

  • Mensen, dus ook leerlingen, denken in taal
  • Leerstof wordt aangeboden in taal
  • Leerlingen verwerken leerstof door te denken (en te schrijven) in taal

Hoe vollediger het antwoord is, hoe beter een leerling heeft nagedacht over de vraag en het daarbij behorende antwoord.

Als een leerling dan ook nog leert om het juiste antwoord verbaal op een goede wijze te uiten, dan weet je als leraar zeker dat de leerling de stof beheerst en begrijpt.

Dat lukt niet in één keer

Soms klappen leerlingen dicht. Soms willen ze geen antwoord geven. Ze hebben faalangst, willen niet opvallen, of hebben gewoon geen zin.

Toch moeten ze het leren

  1. Geef zelf altijd het goede voorbeeld. Spreek in volledige zinnen, hanteer zelf juist taalgebruik
  2. Leg steeds opnieuw uit waarom leerlingen correct Nederlands moeten spreken
  3. Leer leerlingen dat ze fouten moeten maken om iets nieuws te kunnen leren
  4. Verbeter leerlingen als ze een fout maken
  5. Laat leerlingen jou verbeteren als je een fout maakt
  6. Als een leerling geen (of een onvolledig) antwoord geeft, geef je feedback: ‘Je antwoord is bijna goed. Zeg het nu eens in een volledige zin:
    1. Geef een hint
    2. Zeg de eerste woorden van de zin
    3. Laat een andere leerling eerst het juiste antwoord geven. Daarna laat je de eerste leerling het antwoord nogmaals geven: ‘Ik kom zo bij je terug.’
    4. Corrigeer ook lidwoorden en onjuist taalgebruik
  7. Leer leerlingen ook goed schrijven. Alleen het antwoord geven op een vraag of som, heeft veel minder leereffect.

De meeste leerlingen zullen hier weerstand tegen hebben

En dat is waar. Maar weerstand is nodig om iets nieuws te leren. Bovendien is het een gewoonte geworden om kort te antwoorden. Het is er bij de meeste leerlingen ingeslepen omdat er nooit werd ingegrepen. Het kost meer tijd om het er weer uit te krijgen. Je hebt dus best veel geduld nodig. En tijd. Leg ook steeds weer uit waarom.

De enige manier om het ze te leren, is herhalen en dan nog een keer

Ik wens je veel plezier en succes!

Wil jij leren hoe je heel goed instructie geeft aan leerlingen? Geef je dan op voor de online workshop ‘Sterk Lesgeven’. Ik maak de workshop in overleg met jou helemaal op maat. Vul je telefoonnummer in en ik bel je.

Wil je meer lezen over taal in de klas? Klik dan HIER

Wil je een leuk filmpje zien over het luie brein? Klik dan HIER

Waarom je criteria mee moet geven aan leerlingen

Waarom je criteria mee moet geven aan leerlingen

 

Als je wilt dat leerlingen serieus hun opdrachten maken, moet je eisen aan de opdrachten stellen. Zoals Doug Lemov zegt: leg de lat hoog. Daarom vertel ik in dit blog waarom je criteria mee moet geven aan leerlingen en krijg je zeven criteriapunten mee.

Als leraar denken we dat onze leerlingen wel weten wat ze precies moeten doen

Natuurlijk weten ze het wel. Maar goed leraarschap begint bij goed klassenmanagement en goed klassenmanagement begint bij duidelijkheid.

Als de leerlingen niet precies weten wat ze moeten doen krijg je zulke vragen:

  • Wat moet je doen als je klaar bent?
  • Moet het vandaag af?
  • Mag ik het thuis afmaken?
  • Hoeveel mag je fout hebben?
  • Mag ik het op mijn tablet maken?
  • Mogen we samenwerken?

Als de leerlingen wél precies weten wat ze moeten doen krijg je zulke vragen:

  • Wat moet je doen als je klaar bent?
  • Moet het vandaag af?
  • Mag ik het thuis afmaken?
  • Hoeveel mag je fout hebben?
  • Mag ik het op mijn tablet maken?
  • Mogen we samenwerken?

Niet omdat ze het niet weten, maar omdat ze geen zin hebben om aan het werk te gaan, zin hebben om erover in discussie te gaan, of omdat ze iets anders willen dan jij.

De meeste leerlingen zijn gewoon lui

Criteria aangeven heeft veel voordelen:

  1. Je houdt het tempo van je les hoog
  2. Je voorkomt discussies omdat je duidelijk bent
  3. Het niveau van het gemaakte werk is hoger
  4. De leerlingen doen beter hun best
  5. Het leerrendement wordt hoger

Hier zijn ze dan: Zeven criteriapunten waar iedere opdracht aan moet voldoen:

  1. De exacte opdracht in één zin

Bijvoorbeeld: Maak in je werkboek H4 opdracht 1 t/m 7

  1. Hoe er gewerkt moet worden

Alleen/ in stilte/ in groepen van drie/ met of zonder lopen

  1. Waar er gewerkt moet worden

Alleen en op je plaat/, in de klas of op de gang/ gezellig bij een ander

  1. Wanneer het af moet zijn

Bijvoorbeeld: aan het eind van de les inleveren in de bak

  1. Waar het gemaakte werk aan moet voldoen

Leesbaar schrijven, zonder foute antwoorden (alle antwoorden kun je vinden in je leesboek op bladzijde 45-52), correcte spelling

  1. Wat men mag gebruiken

Bijvoorbeeld: pen, werkboek, leesboek, woordenboek, kladblok

  1. Wat je moet doen als je klaar bent

Bijvoorbeeld: maak een mindmap van H4 ter voorbereiding op de toets

En hoe organiseer ik de feedback?

Je geeft feedback op zowel het proces (welke criteriapunten gingen goed en waar zitten de verbeterpunten?) als op het gemaakte werk zelf. Laat ze hun eigen werk nakijken en beloon de leerlingen die goed hebben nagekeken, ongeacht hoeveel fouten ze hadden.

Je kunt sommige opdrachten ook organiseren met rubrics

Wil je in de klas aan de slag met rubrics? Klik dan HIER.

Wil je een filmpje zien over rubrics in de klas? Klik dan HIER.

Tien kleine ingrepen om je lessen te verbeteren

Tien kleine ingrepen om je lessen te verbeteren

Als je je lessen wilt verbeteren, zijn er tien onderdelen waar je dat op kunt doen. Wanneer je deze tien kleine ingrepen structureel uitprobeert, aanpast en invoert, zul je al snel resultaten zien:

  1. De leerlingen zijn meer gemotiveerd
  2. De verwachtingen zijn duidelijk uitgesproken
  3. De leerlingen weten hoe ze de opdrachten moeten uitvoeren
  4. Iedere leerling is gedwongen om mee te doen
  5. De klas wordt eerder stil
  6. De sfeer in de klas verbetert
  7. Jij hebt het makkelijker als leraar
  8. Het tempo van je lessen gaat omhoog
  9. De kaders en regels zijn onbetwistbaar
  10. De leerlingen onthouden de lesstof beter

1. Motivatie

Maak van iedere les een spannend verhaal

2. Criteria

Zet op een poster waar de uitvoering van een opdracht altijd aan moet voldoen

3. Stappenplan

Zet de stappen van de uitvoering (van de instructie) genummerd op het bord en laat de leerlingen deze stappen volgen

4. Taalgebruik – leerlingen

Eis van iedere leerling dat zij antwoorden op vragen in correcte, volledige zinnen

5. Luisterhouding

Spreek met de leerlingen een houding af die zij altijd moeten laten zien als jij iets gaat vertellen waar zij naar moeten luisteren

6. Taalgebruik – leraar

Let op je woorden: volledige, directe zinnen op gebiedende wijs, zonder gebiedende toon: spreek altijd Klare Taal

7. Routines

Bedenk routines voor herhalend voorkomende handelingen en leer die handelingen aan de leerlingen: houd ze eraan

8. Tijd

Gebruik de timer voor ieder onderdeel van je les

9. Afspraken

Zet de klassenafspraken op een poster en (ver)wijs ernaar als je ingrijpt

10. Werkvormen

Verzamel een aantal verschillende werkvormen en laat die regelmatig terugkomen in je lessen

De komende tien weken zal ik alle tien de kleine ingrepen verder uitwerken in handige stappenplannen.
Houd de SterkNieuws en mijn blog in de gaten.

Meer lezen over klassenmanagement? Dat kan HIER

Wil je een PDF downloaden over taakgericht werken? Dat kan HIER

Wil je de online workshop Orde Houden volgen? Ik maak hem helemaal op maat voor jou en jouw klas(sen). Meer informatie vind je HIER